Overdracht aandelen aan bv voor te lage waarde

De houder van een aanmerkelijk belang in twee Nederlandse bv’s kocht in december 2004 voor 20%-belangen in twee Duitse vennootschappen voor ieder € 5.000. Kort daarna kochten de Duitse vennootschappen onroerende zaken voor een bedrag van € 21 miljoen. De aandeelhouders van de Duitse vennootschappen besloten in 2005 tot verkoop van de aandelen voor een bedrag van ten minste € 35 miljoen. In juni 2005 werd een koper gevonden die bereid was € 53 miljoen voor de aandelen in beide Duitse vennootschappen te betalen. De aanmerkelijkbelanghouder verkocht voor die transactie zijn aandelen in de Duitse vennootschappen aan een van zijn Nederlandse bv’s voor de nominale waarde. In 2016 droeg deze bv de aandelen in de Duitse vennootschappen over. De daarbij behaalde winst werd verantwoord onder de deelnemingsvrijstelling.

Bij een boekenonderzoek bij de bv bleek dat de aanmerkelijkbelanghouder de aandelen in de Duitse vennootschappen eerst in privé had en vervolgens aan zijn bv had overgedragen. Ten tijde van deze overdracht was duidelijk dat de aandelen een veel hogere waarde hadden dan de nominale waarde. De Belastingdienst merkte de waardestijging van de aandelen in de Duitse vennootschappen aan als winst uit aanmerkelijk belang voor de aanmerkelijkbelanghouder. Dat gebeurde in de vorm van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2005. De reguliere navorderingstermijn van vijf jaar was inmiddels verstreken. Omdat de winst uit aanmerkelijk belang betrekking had op de verkoop van onroerende zaken in Duitsland mocht de Belastingdienst de verlengde navorderingstermijn van maximaal 12 jaar toepassen.

Tegelijk met de navorderingsaanslag legde de Belastingdienst een vergrijpboete op van 50% van de nagevorderde belasting. De reden hiervoor was dat de aanmerkelijkbelanghouder bij het doen van aangifte een groot bedrag aan inkomsten bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft willen houden. Ten tijde van de verkoop van de aandelen in de Duitse vennootschappen aan zijn bv wist de aanmerkelijkbelanghouder dat de waarde daarvan veel hoger was dan de nominale waarde.

Proefprocedure box 3

Volgens artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) heeft iedereen recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Inbreuk op dat recht is toegestaan in het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Inzet van een proefprocedure voor de rechtbank was of de forfaitaire rendementsheffing van box 3 voor het jaar 2013 in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De reden daarvoor zou kunnen zijn dat het forfaitaire rendement te veel afwijkt van het reële en het nominale rendement op spaartegoeden.

De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat de forfaitaire rendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor het jaar 2013 anders te oordelen. De wetgever heeft geen onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van bezittingen. Volgens de rechtbank is het dan niet juist om bij de beoordeling van de box 3-regelgeving alleen te letten op het rendement van één soort bezitting. De wetgever heeft bij de vaststelling van het forfaitaire rendement op 4% gedacht aan het reële rendement op staatsobligaties. De rechtbank vindt de aangevoerde gegevens onvoldoende om te kunnen oordelen dat het voor een lange reeks van jaren veronderstelde haalbare rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Zelfs al zou ervan worden uitgegaan dat in 2013 voor het eerst sprake zou zijn geweest van de onhaalbaarheid van dat rendement, valt het binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever om niet onmiddellijk de box 3-heffing te wijzigen.

Liquidatie-uitkering bv aan in België wonende aandeelhouder hier belast

Een procedure voor de rechtbank betrof de vraag of Nederland volgens het belastingverdrag met België belasting mocht heffen over de liquidatie-uitkering die een bv deed aan haar in België wonende aandeelhouder. Indien Nederland inderdaad heffingsbevoegd is, luidde de vervolgvraag of de inspecteur een naheffingsaanslag dividendbelasting aan de bv had moeten opleggen in plaats van een aanslag inkomstenbelasting op te leggen aan de aandeelhouder.

Volgens de rechtbank had de inspecteur ervoor kunnen kiezen om een naheffingsaanslag dividendbelasting aan de bv op te leggen, maar hij was daar niet toe verplicht. Alleen indien de inspecteur door zijn keuze handelt in strijd met een van de beginselen van behoorlijk bestuur kan dat anders zijn. De dividendbelasting is net als de loonbelasting een voorheffing op de inkomstenbelasting. Door de liquidatie-uitkering direct bij de aandeelhouder als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking te nemen heeft de inspecteur niet onzorgvuldig of in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur gehandeld.

De Wet IB 2001 merkt het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen aan als een vervreemding van aandelen. Voor buitenlands belastingplichtigen is het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap belastbaar. Naar Nederlands recht is het voordeel dat de aandeelhouder heeft genoten uit de betaalbaarstelling van de liquidatie-uitkering uit de bv belastbaar omdat de bv in Nederland was gevestigd. Volgens het verdrag met België is Nederland bevoegd om 15% belasting te heffen over dividenden die een in België wonende persoon van een Nederlandse bv ontvangt. De heffing over het voordeel bij de verkoop van aandelen is toegewezen aan het woonland. Uit de tekst van het verdrag wordt niet duidelijk welk artikel moet worden toegepast op liquidatie-uitkeringen. In een protocol bij het verdrag wordt uitgelegd dat inkomsten die worden genoten bij de liquidatie van een vennootschap onder het dividendartikel van het verdrag vallen. Nederland is bevoegd om maximaal 15% belasting te heffen over de liquidatie-uitkering.

Goedkeuring schulden en vruchtgebruik in box 3

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit van 31 oktober 2016 over box 3 van de inkomstenbelasting gewijzigd. De wijziging betreft een goedkeuring voor de toerekening van schulden die deel uitmaken van een algemeenheid van goederen waarop door erfrecht een vruchtgebruik rust. De goedkeuring heeft betrekking op de jaren 2012 tot en met 2016.

Wanneer door het erfrecht de langstlevende ouder een vruchtgebruik heeft gekregen van de nalatenschap en de erfgenamen de blote eigendom, wordt de volledige waarde van de goederen in aanmerking genomen bij de vruchtgebruiker. De waarde van de bloot eigendom is geen bezitting voor box 3 van de inkomstenbelasting. De inkomsten uit het nagelaten vermogen worden op deze manier belast bij degene die over de inkomsten kan beschikken. Tot een nalatenschap, waarop een vruchtgebruik rust, kunnen ook schulden behoren. Met ingang van 2017 worden de goederen en de schulden voor box 3 gelijk behandeld. Dit betekent dat ook de volledige waarde van de schulden bij de vruchtgebruiker in aanmerking wordt genomen in box 3. Door de goedkeuring van de staatssecretaris geldt dit ook voor de jaren 2012 tot en met 2016. De vruchtgebruiker en de blote eigenaar(s) moeten een gezamenlijk schriftelijk verzoek om toepassing van deze goedkeuring indienen bij de inspecteur van de vruchtgebruiker. Dat verzoek geldt dan voor het gehele tijdvak van 2012 tot en met 2016.

Tarieven en heffingskortingen

Tarieven box 1

Inkomen van tot  Jonger dan AOW-leeftijd AOW-gerechtigd
 € 0  € 19.982 36,55% 18,65%
 € 19.982  € 33.791 40,8% 22,9%
 € 33.791  € 67.072 40,8% 40,8%
 € 67.072 52% 52%

Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt geldt in de eerste twee schijven een lager tarief omdat zij geen AOW-premie hoeven te betalen.

Tarief box 2
Het tarief in box 2 bedraagt 25%.

Tarief box 3
Het belastingtarief in box 3 bedraagt 30% over een fictief rendement. Dat fictieve rendement wordt berekend over het vermogen in box 3 verminderd met de vrijstelling van € 25.000 per persoon. Met ingang van 2017 zijn er drie rendementsschijven. Voor de eerste schijf tot een bedrag van € 100.000 geldt een fictief rendement van 2,87%. Voor de tweede schijf van € 100.000 tot € 1.000.000 geldt een fictief rendement van 4,6%. Voor het rendement boven een vermogen in box 3 van € 1.000.000 geldt een fictief rendement van 5,39%.

Heffingskortingen
De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 2.254. Vanaf een inkomen van € 19.982 daalt de algemene heffingskorting tot nihil  bij een inkomen van € 67.068. Voor mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 1.151.

De arbeidskorting bedraagt maximaal € 3.223. Vanaf een inkomen van € 32.444 daalt de arbeidskorting tot nihil bij een inkomen van € 121.972.
De werkbonus bedraagt maximaal € 1.119. De minimale leeftijd voor de werkbonus is verhoogd van 62 naar 63 jaar.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt minimaal € 1.043. Vanaf een arbeidsinkomen van € 4.895 loopt deze korting op tot maximaal € 2.778 bij een inkomen van € 33.065. Voor mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt bedraagt deze heffingskorting maximaal € 1.419.

De levensloopverlofkorting is van toepassing bij opnamen uit het levenslooptegoed en bedraagt maximaal € 210 voor ieder jaar waarin bedragen zijn gestort in de levensloopregeling.

De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 722.

De ouderenkorting bedraagt € 1.292 tot een inkomen van € 36.057. Daarboven bedraagt de ouderenkorting € 71.

Wijzigingen inkomstenbelasting

Eigen woning
Het eigenwoningforfait voor woningen met een WOZ-waarde tussen € 75.000 en € 1.060.000 bedraagt 0,75% van de waarde. Het verhoogde eigenwoningforfait voor het deel van de WOZ-waarde boven € 1.060.000 bedraagt 2,35%.

Aftrek van betaalde hypotheekrente in de vierde tariefschijf gaat tegen 50% in plaats van tegen het tabeltarief van 52%. Het percentage waartegen aftrek in de vierde tariefschijf wordt verleend daalt ieder jaar met 0,5%.

De rente in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning is onbelast als de uitkering niet meer bedraagt dan € 36.900 na ten minste 15 jaar premiebetaling. De vrijstelling loopt op tot € 162.500 bij 20 jaar of meer premiebetaling. De vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning geldt alleen voor op 1 januari 2013 bestaande gevallen.

De maximale vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt € 5.069.

Premies lijfrenteverzekeringen
Betaalde premies voor lijfrenteverzekeringen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Voor iemand die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt bedraagt de aftrekbare premie, dat is de jaarruimte, 13,8% van de premiegrondslag. De jaarruimte is maximaal € 12.598.
De jaarruimte wordt verminderd met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve.

Wie in de voorgaande zeven jaar de jaarruimte niet of niet geheel heeft benut, kan gebruik maken van een aanvullende aftrek. Deze reserveringsruimte bedraagt 17% van de premiegrondslag in het jaar van aftrek. Er geldt een maximum van € 7.110. Voor wie aan het begin van het kalenderjaar maximaal tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd wordt dit maximum verhoogd tot € 14.039.

De premiegrondslag is het totaal van de winst uit onderneming, het resultaat uit werkzaamheden en het inkomen uit arbeid in het vorige jaar, met een maximum van € 103.317 en verminderd met de franchise ter grootte van € 12.032.

Voor tijdelijke oudedagslijfrenten mag het bedrag van de jaarlijkse uitkering niet hoger zijn dan € 21.312. Premies voor dergelijke lijfrenten zijn alleen aftrekbaar als de uitkeringen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt.

Geen bijtelling aangegeven, hof vernietigt opgelegde boete

Hof Den Haag heeft de aan een ondernemer opgelegde vergrijpboete vernietigd. De ondernemer had in zijn aangiften inkomstenbelasting geen rekening gehouden met privégebruik van zijn bestelauto. Het hof vond dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat het aan grove schuld van de ondernemer was te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting was geheven.

De opgelegde navorderingsaanslagen ter correctie van het achterwege laten van de bijtelling bleven in stand. De ondernemer had geen rittenregistratie bijgehouden. Naar zijn mening was de bestelauto door aard of inrichting uitsluitend geschikt voor het vervoer van goederen, maar het hof accepteerde die opvatting niet. Het enkele feit dat de achterbank of de bijrijdersstoel vuil is, beperkt de inzet van een bestelauto niet tot het vervoer van goederen. De boekhouder van de ondernemer verstrekte de voor het doen van aangifte benodigde gegevens aan de belastingadviseur. Die stelde de aangifte op en diende hem in. De belastingadviseur wist dat de ondernemer een bestelauto had, maar verwerkte geen bijtelling voor het privégebruik van de bestelauto in de aangifte. Volgens het hof hoefde de ondernemer zich niet te verdiepen in de regeling inzake de bijtelling voor privégebruik van een bestelauto.

Aan- en verkoop van motorboten was werkzaamheid

De in- en verkoop van enkele motorboten als nevenactiviteit heeft fiscale gevolgen gehad voor een ondernemer. Aan de drie vereisten voor een bron van inkomen was voldaan. Er was sprake van deelname aan het economisch verkeer, met het oogmerk om voordeel te behalen en de verwachting dat het voordeel zou worden behaald. De rechtbank vond niet aannemelijk dat de transacties in de privésfeer plaatsvonden, gezien het korte tijdsverloop tussen de verschillende aan- en verkopen. De verkoper van de boten voerde tevergeefs aan dat hij de boten uit liefhebberij had gekocht en weer verkocht als hij een andere boot wilde. Niet alleen werd een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd waarbij de opbrengst van de verkopen als resultaat uit werkzaamheid werd aangemerkt, maar ook werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. De rechtbank vond dat sprake was van ondernemerschap voor de omzetbelasting, omdat zelfstandig een economische activiteit werd verricht. Een van de argumenten daarvoor was dat de verkoper reclame had gemaakt voor de boten op het internet.