Berekening invorderingsrente

In de Invorderingswet 1990 is bepaald dat bij te late betaling van een belastingaanslag invorderingsrente in rekening wordt gebracht.

In een procedure voor de rechtbank meende de belanghebbende dat hij geen invorderingsrente hoefde te betalen omdat het rentebedrag was opgelopen door de lange duur van de behandeling van zijn bezwaar en beroep tegen de aanslag. De rechtbank stelde vast dat de betalingstermijn was verstreken terwijl slechts een deel van de aanslag was betaald. Vanaf het moment waarop de betalingstermijn was verstreken was de belanghebbende invorderingsrente verschuldigd. De belanghebbende had invorderingsrente kunnen voorkomen door tijdig te betalen, ook al was hij het niet eens met de aanslag. In dit geval koos de belanghebbende voor uitstel van betaling. Deze keuze komt voor zijn rekening. De rechtbank maakt duidelijk dat de keuze voor uitstel van betaling losstaat van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de aanslag.

Aansprakelijkheid pand- en hypotheekhouders

In de Invorderingswet komt een bepaling die de aansprakelijkheid invoert voor pand- en hypotheekhouders en executanten. De aansprakelijkheid betreft de omzetbelasting die verschuldigd is bij de levering van een verpande of verhypothekeerde zaak of van een zaak waarop beslag is gelegd. Door de invoering van de aansprakelijkheid worden deze leveringen materieel hetzelfde behandeld als leveringen die onder de verleggingsregeling in de omzetbelasting vallen. De aansprakelijkheid moet voorkomen dat de Belastingdienst achterblijft met een onverhaalbare omzetbelastingschuld op de ondernemer wiens zaak wordt geleverd.

Pand- of hypotheekhouders mogen zowel binnen als buiten faillissement de zaak namens de schuldenaar verkopen. Executanten kunnen een zaak door een gerechtsdeurwaarder laten verkopen en zich op de opbrengst verhalen. De opbrengst boeken zij af op de openstaande vordering. De opbrengst van een verkochte zaak omvat ook de omzetbelasting. Toepassing van de verleggingsregeling in de omzetbelasting biedt niet in alle gevallen een oplossing. Zo kan de verleggingsregeling niet worden toegepast bij leveringen aan niet-ondernemers of bij leveringen van roerende zaken op grond van een executoriale titel. De invoering van de nieuwe aansprakelijkheid voor pand- en hypotheekhouders en executanten moet dat probleem ondervangen. De aansprakelijkheid neemt de plicht om de omzetbelasting te betalen niet weg van de ondernemer wiens zaken worden geleverd. Pas wanner hij niet betaalt mag de Belastingdienst de pand- of hypotheekhouder of executant aansprakelijk stellen voor het bedrag aan niet-betaalde omzetbelasting.

Aansprakelijkheid bestuurder stichting

Iedere bestuurder van een rechtspersoon is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonheffing die de rechtspersoon verschuldigd is. De aansprakelijkheid geldt niet alleen voor bestuurders van een nv of een bv, maar ook voor bestuurders van een stichting of van een vereniging met rechtspersoonlijkheid. De rechtspersoon moet, zodra duidelijk is dat de loonbelasting niet betaald kan worden, daarvan mededeling doen aan de ontvanger. Als de melding van de betalingsonmacht tijdig is gedaan, is een bestuurder alleen aansprakelijk als het niet betalen van de belasting het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Is door of namens de rechtspersoon geen melding van de betalingsonmacht gedaan of is de melding te laat gedaan, dan is iedere bestuurder aansprakelijk en wordt verondersteld dat de niet betaling te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur. Alleen de bestuurder die aannemelijk weet te maken dat het niet aan hem is te wijten dat de melding van de betalingsonmacht niet of te laat is gedaan, krijgt de mogelijkheid om de veronderstelling te weerleggen.

De bestuurder van een stichting, die geen melding van betalingsonmacht had gedaan, slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het niet melden niet aan hem te wijten was. Als bestuurder had hij zich op de hoogte moeten (laten) stellen van het reilen en zeilen van de stichting en van de financiële positie van de stichting. De bestuurder heeft geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden om zich adequaat te laten informeren. Door zijn nalatigheid was hij niet in staat om de betalingsonmacht bij de ontvanger te (laten) melden.

Verkopende aandeelhouder deed onvoldoende onderzoek naar koper

De Invorderingswet kent een aansprakelijkheid voor aandeelhouders van een bv of nv voor door de vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting na verkoop van de aandelen. Voor die aansprakelijkheid moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Het aandelenbelang moet ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal omvatten en de bezittingen van de bv moeten in belangrijke mate bestaan uit beleggingen. Verder moet het vermogen van de bv door andere oorzaken dan de normale bedrijfsvoering zijn verminderd in een periode van vijf jaar voor tot drie jaar na het jaar van de verkoop van de aandelen. De aansprakelijkheid betreft de vennootschapsbelasting die betrekking heeft op de ten tijde van de vervreemding van de aandelen aanwezige stille en fiscale reserves.

De aandeelhouder, die kan bewijzen dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is om de vennootschapsbelasting te betalen, is niet aansprakelijk. Om dat bewijs te kunnen leveren moet de verkopende aandeelhouder een gedegen onderzoek doen naar de financiële gegoedheid van de koper en ervoor zorgen dat de vennootschapsbelastingclaim kan worden betaald. Dat kan door een bankgarantie te vragen of door een bedrag te storten op de derdengeldrekening van de notaris die betrokken is bij de overdracht. In de praktijk gaat het op die punten nogal eens mis. Ter illustratie de volgende casus.

Ter onderbouwing van de stelling dat de vermogensvermindering van een verkochte bv niet aan haar te wijten was, verwees de verkopende aandeelhouder naar de onafhankelijke deskundigen die zij had geraadpleegd bij deze transactie. Er was onderzoek gedaan naar de koper. De akte van overdracht bevatte enkele garanties van de koper en de liquide middelen van de verkochte bv, in totaal € 847.000, waren op de derdengeldrekening van de notaris gestort. Het hof vond dit niet voldoende om de aansprakelijkheid op te heffen. De verkoper wist of had moeten weten dat de koper door buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen verhaal door de ontvanger onmogelijk zou maken. Er was een afspraak gemaakt dat de helft van de liquide middelen van de bv aan de verkoper zou worden betaald en dus aan de bv zou worden onthouden. De financiële gegevens van de koper waren pas na de overdracht aan de verkoper verstrekt. Een goed beeld van de financiële situatie van de koper ontbrak ten tijde van de verkoop en de overdracht van de aandelen. Garanties ten behoeve van de ontvanger waren niet verstrekt. De kopende partij had in een notitie uiteengezet wat het doel was van de overname en hoe de constructie werkte. De verkoper had dat voorstel gevolgd zonder onderzoek te doen naar onderliggende contracten en financiële gegevens. De verkoper heeft haar zorgplicht als aandeelhouder van de bv verzaakt.