Motor van de zaak

Motor van de zaak

In plaats van een auto van de zaak kan ook een motor ter beschikking worden gesteld.

Als de motor ook privé wordt gebruikt moet de waarde van dat privé gebruik gecorrigeerd worden. Voor de motor geldt geen forfaitaire bijtelling, maar dat betekent niet dat er bij de motor geen sprake is van een correctie.

De waarde van het privé gebruik is het aantal privé verreden kilometers maal de werkelijke kilometerkosten. Het is belangrijk dat u dit goed vast legt, zodat dit bij een eventuele controle kan worden overlegd.

De BTW op de aanschaf van de motor en alle andere kosten van de motor kunnen worden terug gevorderd.. Alle kosten en afschrijvingen komen ten laste van de onderneming.

Uiteraard kunt u ook een privé motor gebruiken voor zakelijke kilometers. Belastingvrij kan er dan € 0,19 per kilometer worden vergoed door de onderneming.

Heeft u vragen neem contact met ons op, 013-5340001.

motorcycle-1306584_1920

Eindelijk een eigen pensioenpot voor de DGA?

Eigen pensioenpotten?

Een persoonlijk pensioenvermogen en een leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid zijn noodzakelijke bouwstenen om te komen tot een duurzaam stelsel. Dit voorkomt discussie tussen generaties over wie recht heeft op welk deel van het pensioenvermogen en vermijdt het doorschuiven van tekorten naar toekomstige generaties. Het verkleint bovendien de kans op kortingen voor ouderen en geeft jongeren uitzicht op een hoger verwacht pensioen.”

Dit is de stelling waarmee De Nederlandse Bank zich vandaag (21 juni 2016) mengt in de pensioendiscussie. Dit DNBulletin ziet op pensioenfondsen en niet op het pensioen in eigen beheer van de directeur grootaandeelhouder, maar het sluit op hoofdlijnen wel aan bij de oplossing die de staatssecretaris ziet voor de oplossing van diens pensioenproblematiek.

Dat zou toeval kunnen zijn, maar lijkt meer blijk te geven van een wijziging in het denken over pensioenen. Vanaf de invoering van de AOW nu zestig jaar geleden, zit de communiteitsgedachte verweven in het pensioenstelsel: pensioenen doe je samen, niet alleen. En nu lijkt men daarvan afscheid te willen nemen. Zeer voorzichtig voor werknemers (want het arbeidsongeschiktheids-pensioen, het nabestaandenpensioen en de pensioenuitvoering zouden nog steeds via het pensioenfonds geregeld moeten worden). Maar sneller voor de directeur groot aandeelhouder, want zonder die beperkingen.

Voor de directeur groot aandeelhouder zou dit nieuwe denken een prima oplossing kunnen bieden voor de bestaande problemen in de pensioenregelingen (voornamelijk de immer complexere regelgeving en de verschillende waarderingsmethoden voor de fiscale en de commerciële balans) en in ieder geval meer vrijheid om zelf te beslissen over zijn oudedag.

Hoe de pensioenwetgeving voor de directeur grootaandeelhouder er uiteindelijk zal uitzien is nog lang niet zeker. Maar de gedachte aan pensioen als een individueel element past zeker in deze tijd en wordt door ons dan ook van harte verwelkomd.

Vragen over uw pensioen, neem contact op met Eric van Erve (T 013-5340001).

 

Pensioen

Teambuilding met collega’s

Teambuilding bij LDE Accountants

Onlangs hebben wij weer ons jaarlijks personeelsuitje met de personeelsvereniging gehad en met succes!

Het was een prachtige, gezellige middag dat in het teken stond van teambuilding.

We zijn de middag begonnen met een picknick waarna we met teams begonnen zijn aan de actieve middag. Alle teams hebben tegen en met  elkaar gestreden voor de winst door middel van div. spelopdrachten (o.a. kruipnet, funslang, beachvolleybal, waterdragers). We hebben elkaar goed aangemoedigd en iedereen heeft met succes de finish behaald.

 

Wist u dat:

De personeelsvereniging valt niet onder de werkkostenregeling

Sinds 1 januari 2015 is de werkkostenregeling een verplichting geworden voor werkgevers. De werkkostenregeling beperkt het saldo dat de werkgever aan onbelaste vergoedingen aan de werknemers kan verschaffen. Dit heeft gevolgen voor onder andere secundaire arbeidsvoorwaarden. Maar ook kan worden gedacht aan de bedragen die ter beschikking worden gesteld aan de personeelsvereniging.

In een aantal situaties heeft de werkkostenregeling geen effect op de personeelsvereniging. Voorheen was het voor de werkgever mogelijk om uitgaven aan de personeelsvereniging onbelast te vergoeden. Deze situatie is niet gewijzigd, mits er aan enkele voorwaarden wordt voldaan:

  1. Onafhankelijkheid van de personeelsvereniging.
  2. Er mogen geen uitkeringen of verstrekking worden gedaan aan de leden
  3. De bijdrage van de werkgever mag niet hoger zijn dan de bijdrage van de leden zelf.
  4. Deelname moet openstaan voor (nagenoeg) alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats (Minimaal 75%)
  5. De organisatie van activiteiten moet een incidenteel karakter hebben

In de praktijk betalen de werknemers en werkgevers dezelfde bijdrage. Zo draagt de werkgever nooit meer af dan de werknemer. Er hoeft dan ook geen belasting te worden afgedragen over de uitgaven van de personeelsvereniging, mits er aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Wel adviseren wij de werkgever om budget te reserveren voor de bijdrage aan de vereniging.

Onder de werkkostenregeling verandert er hier dus helemaal niets aan! Wanneer aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, mag een personeelsvereniging nog steeds onbelast activiteiten organiseren.

Als de personeelsvereniging onder de oude regeling dus goed geregeld is, hoeft u er als werkgever alleen voor te zorgen dat er budget gereserveerd wordt, verder hoeft er niets te veranderen!

Heeft u vragen neem contact met ons op, 013-5340001.DSCN9864 DSCN9905 DSCN9908

Wet Uitwerking Autobrief II aangenomen door Tweede Kamer

Op 12 april 2016 is het wetsvoorstel Wet uitwerking Autobrief II aangenomen door de Tweede Kamer.
Doel van de wet is om de autobelastingen eenvoudiger te maken, om een stabiele stroom aan belastinginkomsten te garanderen en om verdere milieuwinst te behalen.

Hoewel ontraden door de staatssecretaris, zijn toch twee amendementen aangenomen op de door hem voorgestelde wetstekst voor de periode 2017-2020.

Deze maken nu integraal onderdeel uit van het wetsvoorstel en zorgen voor een belangrijke aanpassing in het voorstel dat nu naar de Eerste Kamer gaat.

Te weten:

1.     De dieseltoeslag in artikel 9 van de Wet BPM wordt uitgezonderd van de tariefsverlaging.
Hierdoor daalt het BPM tarief nu met 14,7 in plaats van 12,2%.
Gevolg: Benzine auto’s worden dus vanaf 2017 nog goedkoper dan diesels.

2.     Plug-in hybrides of “PHEV’s” houden het half-tarief in de motorrijtuigenbelasting (het voorstel was om per 2019 over te gaan naar een drie-kwart-tarief).
Om het gat in de belastingopbrengsten te dekken dat daardoor ontstaat, zal de milieu-gerelateerde korting voor PHEV’s in het bijtellingstarief niet ingevoerd worden.
Dit leidt er toe dat vanaf 2017 voor nieuwe auto’s slechts twee categorieën bijtelling zullen bestaan:
– 4% voor auto’s met elektrische aandrijving (maar slechts over de eerste € 50.000) of waterstofaandrijving (4% zonder beperking aan de catalogusprijs).
– 22% voor alle overige auto’s.
Gevolg: In 2016 zal opnieuw een run ontstaan op auto’s die nu nog een lagere bijtelling hebben zodat de berijders daar nog 5 jaar van kunnen profiteren.

Het blijft afwachten, de Eerste Kamer moet immers nog besluiten. Maar mijn verwachting is dat deze wet wordt aangenomen.

Tenslotte en ter geruststelling van de huidige berijders van auto’s met een lagere bijtelling: deze houden gedurende 60 maanden na tenaamstelling recht op het lage tarief (van 0%, 4%, 7%, 14% of 15%), dat verandert niet door deze wet.

 

 

Opgaaf ICP per maand bij levering > € 50.000,–

Lever je meer dan € 50.000,– aan intracommunautaire leveringen in 1 kwartaal? Dan moet u vanaf 1 januari per maand opgaaf ICP doen. Dat was in 2015 boven € 100.000,–.

De opgaaf ICP over goederen kan per maand, per kwartaal of per jaar worden gedaan. Opgaaf ICP per maand mag altijd, maar vanaf 1 januari 2016 moet de opgaaf ICP per maand worden gedaan, als u voor meer dan € 50.000,– aan goederen levert. Voor een opgaaf ICP per jaar heeft u een vergunning nodig. LDE Accountants helpt u hier graag bij.

Wet-Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties

Naar de DBA

Wat is er gebeurt?
In februari, na jaren van twijfelen, is besloten om de VAR-verklaring af te schaffen.
In plaats daarvan komt de Wet-Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties.

Wie merkt dat?
Iedere ZZP-er die een VAR-verklaring heeft en iedere opdrachtgever die ZZP-ers inhuurt.

Waarom?
Voorheen toetste de belastingdienst vooraf of iemand ondernemer was.
Als die toets goed uitpakte gaf de belastingdienst een VAR verklaring af (een VAR-WUO in dat geval).
Met een dergelijke VAR-verklaring was de opdrachtgever gevrijwaard van loon- en premieheffing over de beloning van die ZZP-er.
Door het vervallen van de VAR-verklaring, vervalt ook de vrijwaring voor de opdrachtgever.

Wat is het nieuwe systeem?
De toetsing vooraf wordt vervangen door goedgekeurde overeenkomsten in combinatie met een toets achteraf. Opdrachtgevers lopen daarmee meer risico omdat er achteraf door de fiscus vragen gesteld kunnen worden als:
–       Is de juiste overeenkomst gekozen?
–       Sluit de tekst van de overeenkomst ook aan bij de feiten?
Een “nee” als antwoord op een van beide vragen zou betekenen dat de opdrachtgever alsnog loonbelasting en premies moet afdragen.

Wat moet ik doen?
Als opdrachtgever moet een keuze gemaakt worden of het nog wenselijk is om ZZP-ers in te schakelen. Als dat het geval is, zullen alle contracten met ZZP-ers beoordeeld moeten worden of:
a.     Ze vervangen kunnen worden door een al goedgekeurde nieuwe overeenkomst, of
b.     Er een eigen overeenkomst voorgelegd moet worden ter goedkeuring.

Als ZZP-er is het verstandig om hierover met de opdrachtgever in gesprek te gaan.

Wanneer?
De nieuwe wet treedt op 1 mei in werking, maar bestaande contracten op basis van een VAR-verklaring mogen nog tot 2017 voortgezet worden zonder dat de belastingdienst een boete oplegt.

Hoe gaat LDE Accountants hier bij helpen?
Wij bieden aan al onze klanten die ZZP-ers inhuren of ZZP-er zijn de mogelijkheid om samen met hen te toetsen of dat nog mogelijk en wenselijk is onder de nieuwe regeling. En, als dat inderdaad het geval is, om een goede en goedgekeurde standaardovereenkomst voor hun specifieke situatie op te stellen.

 

Pensioen voor 2015

1. Inleiding.
In dit blog een korte historie van de problemen met de pensioenen, de wijzigingen op pensioenvlak voor 2015 en de relatie tussen beide.

2. Problemen.
Pensioenen hebben momenteel de aandacht. Zo wordt in het nieuws regelmatig aandacht besteedt aan de oplopende premies, het vervallen van indexatie en het korten op lopende uitkeringen en ook aan de aanleiding daarvoor zoals de toenemende levensduur, de tekortschietende beleggingsrendementen en –specifiek voor de AOW– de scheefgroei tussen pensioenontvangers en premiebetalers.

De scheefgroei in verhouding tussen enerzijds het aantal premiebetalers en anderzijds het aantal gerechtigden tot een AOW-uitkering leidt tot problemen.

De AOW hanteert een omslagsysteem: de inleg van degenen die actief zijn, wordt gebruikt om de lopende uitkeringen te voldoen. Er wordt dus niet gespaard. De achilleshiel van een omslagsysteem is echter dat het alleen goed werkt zolang de premieopbrengst voor de overheid “automatisch” meestijgt met de uitgaven aan AOW-uitkeringen. Als er echter een daling is van het aantal premiebetalers, moet de premie omhoog. Hetzelfde geldt als de salarissen dalen, omdat ook daardoor de premiegrondslag afneemt.

De negatieve economische effecten van vergrijzing en werkloosheid leiden nu dan ook tot een stijging van de AOW-premie. Om die premiestijging voor de werkenden deels te voorkomen, worden de AOW-uitkeringen sinds 2001 mede uit de algemene middelen gefinancierd. Uit de belastingopbrengsten dus. AOW-ers betalen daarom via de belasting zelf mee aan hun uitkering en actieven betalen dubbel: premie en belasting.

Het gat tussen premie-inkomsten en AOW-uitkeringen is inmiddels echter zo groot dat er ingrijpende maatregelen genomen werden: de ingangsdatum van de AOW uitkeringen is verschoven van 65 jaar naar 67 jaar.

Hier zijn het de tegenvallende beleggingsrendementen van de pensioenfondsen die zorgen voor stijgende premies in combinatie met dalende uitkeringen.

3. Wijzigingen 2015.
Per 1 januari 2015 zijn de volgende wijzigingen aangekondigd in de pensioenwetgeving:

  • Het pensioengevend salaris wordt gemaximeerd op € 100.000.
  • De hoogte van de AOW franchise wordt aangepast:
    – van 100/70 naar 700/75 voor middelloonregelingen (voordelig)
    – van 100/70 naar 100/66,28 voor eindloonregelingen (nadelig).
  • De opbouwpercentages gaan omlaag:
    – van 2,150% naar 1,875% per jaar voor middelloonpensioenen
    – van 1,900% naar 1,657% voor eindloonpensioenen
    (voor een pensioen van 70% van het eindloon dient voortaan dus 42 jaar gereserveerd te worden, 7 jaar langer dan tot en met 2013 nodig was).

4. Conclusie.
De aanpassingen in de pensioenwetgeving hebben niets te maken met de problemen die er op pensioengebied bestaan. Het doel is het genereren van belastingopbrengst door het beperken van de mogelijkheden van premieaftrek.

Sterker nog, het beperken van de grondslag voor fiscaal gefacilieerde ouderdags-voorzieningen tot maximaal € 100.000 kon in de toekomst wel eens extra problemen opleveren. Zij het voor een beperkte groep werknemers/ondernemers.

5. Doen!
De aanpassing van de opbouwpercentages, van de AOW-franchise en de invoering van een maximumgrondslag maakt het nodig de pensioenbrieven –alweer– aan te passen.

Voor 1 januari 2015 moeten uw pensioentoezeggingen op orde zijn.

Bent u directeur-grootaandeelhouder van uw eigen B.V., dan is het aanpassen een formaliteit. Wel een formaliteit waaraan tijdig voldaan moet worden overigens.

Heeft u personeel waarvoor pensioenopbouw plaatsheeft, dan is de vereiste pensioenaanpassing tevens een wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Overleg met uw medewerkers is daarom nodig en mogelijk is zelfs hun toestemming vereist.

Gezien de fiscale boete die kan volgen als dit op 1 januari niet geregeld is, alle reden dus om op korte termijn met uw medewerkers in overleg te treden.

Mocht u naar aanleiding hiervan nog vragen hebben of nadere informatie wensen, dan zullen wij u graag van dienst zijn.

LDE Accountants
Mr. E.P. van Erve
fiscalist

Verhuur van garageboxen valt niet onder btw-vrijstelling

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geoordeeld dat de verhuur van garageboxen verhuur van parkeerruimte voor voertuigen in de zin van artikel 11, eerste lid, letter b, van de Wet OB is, en dus niet meedeelt in de vrijstelling van omzetbelasting voor verhuur van onroerende zaken.

De omstandigheid dat garageboxen in toenemende mate worden aangewend voor andere doeleinden dan voor stalling van motorvoertuigen maakt nog niet dat de garageboxen als ‘multifunctionele ruimten’ kwalificeren, aldus de rechtbank.

Motor van de Zaak?

1. Inleiding.
Door de fiscale maatregelen van de laatste jaren is in het Nederlandse –zakelijke– autobezit een verschuiving naar zuiniger modellen opgetreden. De keuze om fiscale maatregelen in te zetten om een vergroening te bereiken heeft dus gewerkt. Zelfs zo goed dat de opbrengsten voor de fiscus in het gedrang lijken te komen, zoals afgeleid kan worden aan het verder opschroeven van de grenswaarden die gelden voor de lagere bijtellingscategoriën in de loon- en inkomstenbelasting naast het grotendeels afschaffen van de vrijstelling in de motorrijtuigenbelasting.

In dit blog kijken we of de motor van de zaak een alternatief zou kunnen zijn.

2. Bijtelling in loon- en inkomstenbelasting?
Voor een auto van de zaak wordt de bijtelling bepaald aan de hand van de cataloguswaarde en de CO2 uitstoot. Bovendien geldt dat u de volledige bijtelling in rekening gebracht krijgt zodra er meer dan 500 kilometers privé gereden zijn. Het maakt daarbij niet uit of u 550 of 55.000 privékilometers rijdt.

Wilt u als ondernemer de bijtelling vermijden, dan moet u bewijzen dat u ten hoogste 500 privékilometers per jaar gereden hebt. Hiervoor dient u een sluitende kilometeradministratie te voeren (een uitgebreide registratie van alle gereden kilometers, zakelijk en privé). Kunt u dat niet -of accepteert de fiscus de kilometeradministratie niet- dan volgt alsnog de bijtelling.

Ook een motor van de zaak kent een bijtelling in de loon- en inkomstenbelasting. Deze wijkt echter op alle punten af van de autokostenbijtelling:

–       De motorbijtelling is gebaseerd op de daadwerkelijke kosten van de motor (afschrijving, onderhoud, verbruik, verzekering e.d.) van het jaar.
–       De motorbijtelling wordt alleen berekend voor de daadwerkelijke gereden privékilometers.
–       Er is geen uitgebreide boekhouding nodig, een opgaaf van die privékilometers volstaat.

Waar de praktijk leert dat menige automobilist stopt met het bijhouden van een kilometeradministratie (omdat het zo belastend is), en degenen die het wel volhouden geconfronteerd worden met een achterdochtige fiscus, zal de administratie voor een motor van de zaak dus geen probleem zijn. In geval van twijfel is het bovendien aan de belastingdienst om te bewijzen dat het privégebruik hoger is dan opgegeven.

Ook de hoogte van de bijtelling zal, gezien de veelal lage kilometerkosten van motorfietsen, eerder laag uitvallen.

3. BTW.
De BTW die rust op de aanschaf, onderhoud en verbruik, van een zakelijke motor is aftrekbaar. Dit geldt echter niet voor het deel van de BTW dat samenhangt met het privégebruik van de motor. Aan het einde van ieder jaar wordt dus een correctie op de afgetrokken BTW doorgevoerd naar rato van de verhouding privégebruik/totaalgebruik.

Bijzonder is wel dat de BTW correctie vanaf het zesde jaar van eigendom niet meer geldt voor de aanschaf-BTW en dan dus beperkt blijft tot het evenredig deel van de BTW op de gebruikskosten van de motor (en dat is anders bij de correctie voor het privégebruik van een auto).

4. Conclusie.
Vanuit fiscaal oogpunt is een motor van de zaak voordelig en eenvoudig.

Dat betekent niet dat een motor van de zaak voor iedereen -of zelfs in veel gevallen- een goed alternatief voor de auto van de zaak is. Maar naar mijn mening zou dit wel vaker als een alternatief of als een aanvulling overwogen kunnen worden.

Mocht u naar aanleiding hiervan nog vragen hebben of nadere informatie wensen, dan zullen wij u graag van dienst zijn.

LDE Accountants
Mr. E.P. van Erve
fiscalist
eric@ldeaccountants.nl

De VAR wordt strenger

Het huidige systeem van de VAR werkt niet meer. Voor zzp-ers en opdrachtgevers is het nu vaak onduidelijk of de afgegeven verklaring wel correct is. En de overheid kan met de huidige regeling de schijnzelfstandigheid niet adequaat aanpakken.

Financiën wil daarom de VAR strenger gaan regelen met ingang van 1 januari 2015. Voornemen is dat de opdrachtgever en opdrachtnemer samen vooraf de arbeidsrelatie beoordelen via een webmodule. De opdrachtgever wordt daarbij medeverantwoordelijk voor de juistheid van de VAR-aanvraag.

 Voor vragen kunt u contact opnemen met ons kantoor, 013-5340001 of info@ldeaccountants.nl.