NOW-2 kan worden aangevraagd

Het kabinet heeft de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW) met vier maanden verlengd. Deze tweede tranche, de NOW-2, wijkt op een aantal punten af van de eerste tranche. De NOW is een loonkostensubsidie voor werkgevers die geconfronteerd worden met een omzetdaling van ten minste 20% als gevolg van de coronacrisis. De omzetdaling moet zich voordoen in een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden tussen 1 juni en 30 november 2020. De NOW geldt voor werknemers, die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De regeling geldt dus niet voor de dga.

Hoogte subsidie gerelateerd aan omzetdaling

De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de maanden juni tot en met september. Voor de loonsom is het socialeverzekeringsloon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen uitgangspunt. Werkgeverspremies, werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden ook gecompenseerd. De opslag voor werkgeverslasten is voor de NOW-2 verhoogd van 30 naar 40%. Het loon per werknemer is maximaal twee keer het maximumdagloon per maand. Dat betekent dat loon boven € 9.538 per maand niet voor subsidie in aanmerking komt. De maximale subsidie wordt uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld. De omzetdaling wordt bepaald aan de hand van de jaaromzet 2019 gedeeld door drie. Voor een werkgever, die op 1 januari 2019 nog niet bestond, geldt een afwijkende omzetbepaling.

Formule hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A*B*4*1,4*0,9. In deze formule staat A voor het percentage omzetdaling en B voor de loonsom over maart. De vermenigvuldigingsfactor 4 hangt samen met het aantal maanden waarvoor subsidie wordt verleend. De factor 1,4 betreft de opslag voor werkgeverspremies en de factor 0,9 de maximale bijdrage van 90%. De in de NOW-1 geldende boete op ontslag om bedrijfseconomische redenen is vervallen, behoudens bij ontslag van 20 of meer werknemers. De boete bedraagt 5% van de ontvangen subsidie. De boete vervalt als er een akkoord over de ontslagaanvraag is tussen werkgever en vakbonden of een vertegenwoordiging van werknemers.

Toepassing van de NOW bij concerns
Voor concerns bestaande uit meerdere vennootschappen geldt de eis van het omzetverlies voor het gehele concern. Bij concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen individuele werkmaatschappijen subsidie voor hun loonkosten aanvragen op basis van de eigen omzetdaling. Om misbruik van de regeling te voorkomen, worden aan deze verruiming extra voorwaarden verbonden. Deze zijn achtereenvolgens:

  • De werkmaatschappij moet een rechtspersoon zijn.
  • Het concern mag over het jaar 2020 geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Dat geldt tot met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld.
  • De werkmaatschappij moet een overeenkomst hebben met de vakbonden of de werknemersvertegenwoordiging over werkbehoud.
  • De werkmaatschappij mag geen personeels-bv zijn.

Voorschot

Het UWV betaalt in drie termijnen een voorschot uit van 80% van de berekende subsidie. Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de polisadministratie over de maand maart 2020.

Definitieve vaststelling achteraf

Binnen 24 weken na afloop van de periode waarover de NOW is toegekend dient de werkgever vaststelling van de subsidie aan te vragen. Bij de aanvraag is een accountantsverklaring nodig als de subsidie hoger is dan € 125.000 of als het voorschot hoger is dan € 100.000. Als een accountantsverklaring nodig is geldt een termijn van 38 weken om de vaststelling aan te vragen. Binnen 52 weken na ontvangst van deze aanvraag stelt het UWV de definitieve subsidie vast. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie wordt rekening gehouden met een eventueel opgetreden daling van de loonsom over de maanden maart tot en met mei ten opzichte van de loonsom over de refertemaand.

Aanvraagperiode

Een aanvraag voor de NOW-2 kan worden gedaan van 6 juli tot en met 31 augustus.

Voorwaarden

De NOW-2 kent nieuwe voorwaarden. Een bedrijf dat een subsidie van € 125.000 of meer ontvangt of een voorschot van € 100.000 of meer mag over dit jaar geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen aan het bestuur en de directie uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Voor concerns die hun omzetdaling op werkmaatschappijniveau willen berekenen gold deze voorwaarde al voor de NOW-1, ongeacht de hoogte van het voorschot of de subsidie.

De werkgever verplicht zich onder meer om:

  • de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;
  • de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van loonkosten;
  • de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de werknemers te informeren over de subsidieverlening;
  • werknemers te stimuleren om deel te nemen aan een ontwikkeladvies of aan scholing;
  • alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens op controleerbare wijze in de administratie vast te leggen;
  • loonaangifte te doen op de voorgeschreven momenten;
  • na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling te verstrekken.

Recht op aftrek voorbelasting tijdens leegstand pand

Een ondernemer heeft recht op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting, voor zover deze betrekking heeft op goederen en diensten die de ondernemer gebruikt voor belaste handelingen. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2009 geoordeeld dat de ondernemer de goederen of diensten die hij afneemt om een bedrijfsmiddel in goede staat te houden, onmiddellijk gebruikt in het kader van zijn onderneming. Dat geldt ook in een periode waarin het bedrijfsmiddel tijdelijk geen opbrengsten levert. In dat geval mag er niet zonder meer worden uitgegaan van de veronderstelling dat de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen. De ondernemer heeft recht op aftrek van de op de afgenomen goederen drukkende omzetbelasting indien en voor zover hij het voornemen heeft het bedrijfsmiddel te gebruiken voor belaste handelingen.

Bij de verhuur van andere onroerende zaken dan woningen bestaat de keuze om deze zaken belast of vrijgesteld te verhuren. De mogelijkheid van belaste verhuur is beperkt tot huurders die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor zij een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek hebben. Aan de uitoefening van het keuzerecht heeft de wetgever geen andere voorwaarden verbonden dan dat de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke verhuurovereenkomst hebben gekozen voor belaste verhuur of, in andere gevallen, gezamenlijk een verzoek voor belaste verhuur hebben gedaan aan de inspecteur. Van onroerende zaken, die zowel geschikt zijn voor belaste als vrijgestelde verhuur, wordt pas op het moment dat een huurder is gevonden duidelijk of wordt gekozen voor belaste verhuur. De uitoefening van het keuzerecht hangt mede af van omstandigheden buiten de wil van de verhuurder.

De regeling van aftrek van voorbelasting heeft tot doel de ondernemer volledig te ontlasten van de in het kader van zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane omzetbelasting. Aan het effectueren van deze doelstelling zou afbreuk kunnen worden gedaan indien geen recht bestaat op aftrek van de omzetbelasting ter zake van instandhoudingskosten van een leegstaand en voor verhuur bestemd onroerend bedrijfsmiddel wanneer niet op voorhand kan worden uitgesloten dat gekozen zal worden voor belaste verhuur. Volgens de Hoge Raad moet in die gevallen worden aangenomen dat in het voornemen van de ondernemer een onroerende zaak te gaan verhuren het voornemen ligt besloten gebruik te maken van de mogelijkheid van belaste verhuur. Dit betekent dat de omzetbelasting op goederen en diensten die worden afgenomen om de onroerende zaak in goede staat te houden als toerekenbaar aan voorgenomen belaste handelingen voor aftrek in aanmerking komt.

Voorstel aanpassing belastingheffing in box 3 van tafel

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat het door zijn voorganger gepresenteerde voorstel voor aanpassing van de belastingheffing in box 3 van tafel is. Dat voorstel hield in dat werd uitgegaan van de werkelijke verhouding van spaargeld, beleggingen en schulden van een belastingplichtige in plaats van uit te gaan van een doorsnee vermogensmix. Ieder van deze drie categorieën van vermogensbestanddelen heeft in dit voorstel een eigen forfaitair rendement. Voor spaargeld zou een ruime vrijstelling komen die nu alleen wordt gedifferentieerd naar omvang van het vermogen. Dit voorstel heeft geleid tot kritiek vanwege de ongelijke behandeling van spaarders ten opzichte van mensen met een gelijk vermogen maar een andere vermogensverdeling.

De staatssecretaris geeft aan dat nog altijd wordt gestreefd naar het belasten van het werkelijke rendement. Op korte termijn is dat niet haalbaar. Om een groot deel van de spaarders en kleine beleggers op korte termijn tegemoet te komen, zal het huidige stelsel worden aangepast. Op Prinsjesdag zal een voorstel daartoe aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De Hoge Raad heeft in 2019 een aantal arresten gewezen over de belastingheffing in box 3. De vraag of de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013-2016 een schending inhield van het recht op het ongestoorde genot van eigendom, zoals vastgelegd in het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden, is moeilijk te beantwoorden. De staatssecretaris verwacht de kabinetsreactie hierover met Prinsjesdag naar de Tweede Kamer te kunnen sturen.

Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) kan worden aangevraagd

Onderdeel van het zogenaamde Noodpakket 2.0 is de subsidieregeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Deze regeling is de opvolger van de in het eerste noodpakket opgenomen TOGS, de tegemoetkoming voor ondernemers in getroffen sectoren. De TVL geldt voor een specifieke groep mkb-bedrijven. Deze groep omvat de zwaarst getroffen sectoren, waaronder horeca, recreatie, sportscholen en dergelijke. Doel van de regeling is ervoor te zorgen dat bedrijven over voldoende liquide middelen beschikken om in de komende maanden de vaste lasten te kunnen betalen en hun onderneming draaiende te houden. Evenals de TOGS is de TVL vrijgesteld van belastingheffing. De doelgroep van de TVL is dezelfde als de doelgroep van de TOGS. Anders dan in de TOGS wordt in de TVL rekening gehouden met de omvang van het omzetverlies en de omvang van de vaste lasten in een sector. Het geraamde budget voor de regeling is € 1,4 miljard.

Voorwaarden

Als voorwaarde voor de TVL geldt de combinatie van een omzetverlies van 30% of meer en een bedrag aan vaste lasten van ten minste € 4.000. Het omzetverlies wordt bepaald door de omzet in de subsidieperiode te vergelijken met dezelfde periode in 2019. Omdat de omzet nog niet bekend is wordt bij de aanvraag uitgegaan van de verwachte omzetdaling. Aan de hand van de verwachte omzetdaling wordt een voorschot op de subsidie uitgekeerd. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van de omzetgegevens in de btw-aangiften van het tweede en het derde kalenderkwartaal van 2019 en 2020. Dat geldt voor ondernemingen die per maand of per kwartaal aangifte doen. De omzet van het tweede kalenderkwartaal telt voor 1/3e mee en de omzet van het derde kalenderkwartaal volledig. Voor ondernemingen die op grond van hun nevenactiviteit in aanmerking komen voor subsidie werkt deze methode niet. Zij zullen hun omzet(verlies) op andere wijze aannemelijk moeten maken.

Voor ondernemingen die tussen 1 en 15 maart (voor het eerst) zijn ingeschreven in het handelsregister geldt de drempel van 30% omzetverlies niet.

De vaste lasten worden voor toepassing van de TVL bij benadering bepaald. Dat gebeurt door de omzet in de referentieperiode te vermenigvuldigen met de gemiddelde sectorafhankelijke verhouding tussen vaste lasten en omzet. Deze verhouding is te vinden in de tabel op de website van RVO.nl.

Subsidiebedrag

De hoogte van de subsidie is gebaseerd op het omzetverlies. Maximaal bedraagt de subsidie 50% van de vaste lasten bij 100% omzetverlies. Bij het behalen van de drempel van het omzetverlies van 30% bedraagt de TVL 15% van de vaste lasten. Ondernemingen, die tussen 1 en 15 maart 2020 zijn ingeschreven in het handelsregister en in de subsidieperiode ten minste € 4.000 vaste lasten verwachten te hebben, krijgen een vast subsidiebedrag van € 1.000.

Aanvraag

Aanvragen voor de TVL kunnen in de periode van 30 juni tot en met 30 oktober 2020 worden ingediend op www.rvo.nl/tvl. De aanvraag dient de volgende gegevens te bevatten: naam, adres, KvK-nummer en gegevens van de contactpersoon. Daarnaast moeten kopieën van de aangiften omzetbelasting of van andere bewijsstukken uit de boekhouding met de omzetgegevens over 2019 worden aangeleverd. Na verlening van de subsidie wordt een voorschot verstrekt van 80% van het subsidiebedrag.

Definitieve vaststelling

De ondernemer moet voor 1 april 2021 verzoeken om vaststelling van de subsidie via het daarvoor bestemde formulier op www.rvo.nl/tvl.

Administratie

De ondernemer die subsidie ontvangt uit de TVL is verplicht zijn administratie zodanig te voeren en te bewaren dat tot tien jaar na de subsidieverlening op duidelijke en eenvoudige wijze blijkt dat hij aan de eisen heeft voldaan.

Belangrijke update maatregelen coronavirus

Nu de afgelopen tijd steeds meer duidelijk is geworden over het tweede noodpakket brengen we u graag op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. De financiële noodmaatregelen worden namelijk met vier maanden (dus tot en met 30 september) verlengd. Meer dan in het eerste noodpakket wordt daarbij ook gekeken naar de toekomst: het kabinet wil ondernemers de ruimte en mogelijkheid geven om de bedrijfsvoering alvast aan te passen aan de anderhalvemetereconomie. De verlenging van de NOW (tegemoetkoming in de loonkosten) is het meest in het nieuws geweest, en die komt hier dan ook als eerste aan bod.

Lees snel verder of klik door naar de 6 updates:

  1. De NOW wordt met vier maanden verlengd
  2. Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB
  3. De Tozo-regeling wordt met vier maanden verlengd
  4. Crisispakket ‘NL leert door’
  5. TOFA: Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten
  6. Uitstel van betaling van belastingschulden

1. De NOW wordt met vier maanden verlengd

Vanaf 6 juli kan de tweede tranche van de NOW worden aangevraagd. Dan kan een tegemoetkoming voor de loonkosten over de periode juni, juli, augustus en september gevraagd worden.
Op hoofdlijnen blijft de regeling hetzelfde, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de loonsom maart. De tegemoetkoming beloopt maximaal 90% van de loonsom en geldt voor een periode van vier maanden.
Voorwaarde is dat u te maken heeft met een omzetverlies van 20% of meer over een aaneengesloten periode van vier maanden die start op 1 juni, 1 juli of 1 augustus. Als u de eerste tranche ook heeft aangevraagd, dient de periode van omzetdaling aan te sluiten op de periode die u in het eerste tijdvak heeft gekozen.
De opslag voor werkgeverslasten gaat van 30% naar 40%. Deze verruiming heeft ermee te maken dat veel werkgevers in juni vakantiegeld uitbetalen. Door deze opslag wordt dat makkelijker gemaakt, zo is de gedachte. Ook kunnen zo andere lasten dan alleen personeelslasten worden betaald.
Nieuw is een inspanningsverplichting voor werkgevers om hun werknemers te stimuleren om aan bij- of omscholing te doen. Dit om zoveel mogelijk ervoor te zorgen dat werknemers voorbereid zijn op een andere manier van werken of zelfs ander werk. Hoe deze precies wordt vormgegeven en gecontroleerd, is niet duidelijk. Ter ondersteuning hiervan komt een flankerend crisispakket onder de naam ‘NL leert door’ (zie onder 4).

Veel is gezegd en geschreven over twee nadere regels in de NOW: het verbod om dividend of bonussen uit te keren en de zogenaamde ‘ontslagboete’.
Een bedrijf of groep mag bij een beroep op de tweede tranche van de NOW over 2020 geen dividend of bonussen uitkeren of eigen aandelen inkopen. Het verbod om bonussen uit te keren over 2020 ziet overigens alleen op de directie. Aan het overige personeel mogen bonussen wel worden uitbetaald. Voor een dga/bestuurder betekent dit dat in 2020 alleen het basissalaris kan worden uitbetaald.
In de eerste tranche was de zogeheten ‘ontslagboete’ opgenomen. Indien bij het UWV een verzoek werd gedaan om een arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen was geregeld dat bij de vaststelling van de subsidie een correctie wordt aangebracht. Het loon van de werknemer voor wie dit ontslag is aangevraagd, wordt verhoogd met 50% en vervolgens in mindering gebracht op de subsidie. Deze verhoging c.q. boete is aangepast. Als ontslag om bedrijfseconomische redenen voor 20 of meer werknemers wordt aangevraagd, zal een korting van 5% van de uiteindelijke NOW-subsidie worden opgelegd. Indien een akkoord is bereikt tussen de werkgever en belanghebbende vakbonden (of een andere vertegenwoordiging van werknemers of om mediation bij de Stichting van de Arbeid is gevraagd, zal deze korting toch niet worden opgelegd.
Belangrijk is dat dit niets afdoet aan het bestaande systeem van ontslagbescherming. De transitievergoeding, bijvoorbeeld, is dus nadrukkelijk niet van de baan.

2. Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB

Deze regeling vervangt binnenkort de TOGS (eenmalig € 4.000), die tot en met 26 juni aanstaande kan worden aangevraagd. Ook deze regeling zal uitgaan van SBI-codes: sectoren die onder de huidige TOGS vallen, komen ook voor de nieuwe regeling in aanmerking. Deze tegemoetkoming is, net als de TOGS, vrijgesteld van btw en inkomstenbelasting/vennootschapsbelasting.
Ingangsvoorwaarde is een omzetverlies van minstens 30%. Hoe hoger dit omzetverlies, hoe hoger de tegemoetkoming. De tegemoetkoming wordt gebaseerd op het totale omzetverlies en het deel van de vaste lasten dat een bedrijf daarmee betaalt. Het gaat om vaste kosten die steeds doorlopen, zoals huur, pacht, onderhoud, verzekeringen, leasecontracten en abonnementen. Loonkosten horen hier niet bij. Die worden gecompenseerd door de NOW.
Hoe de exacte berekening eruit zal zien, is nog niet te zeggen. Wel is inmiddels duidelijk dat deze per sector kan verschillen. Ook is duidelijk dat de tegemoetkoming maximaal € 50.000 zal bedragen.
Er is wel een adder onder het gras: de tegemoetkoming telt mee als omzet voor de NOW.

Het kabinet heeft bovendien nu al aangekondigd te onderzoeken of ondernemingen met hoge vaste lasten, die ook na 1 oktober nog omzetderving houden, en als gevolg van overheidsmaatregelen een lastig toekomstperspectief hebben, door de overheid ondersteund kunnen worden bij het bewegen naar een toekomstbestendig verdienmodel. Meer is nog niet bekend, maar het is wat ons betreft goed dat het kabinet daar nu al mee bezig is.

3. De Tozo-regeling wordt met vier maanden verlengd

Omdat veel zelfstandig ondernemers te maken hadden met een forse inkomstenderving, en zij daardoor onder het sociaal minimum dreigden te komen, zijn in maart de regels inzake bijzondere bijstand versoepeld. Deze versoepeling is Tozo gaan heten. Omdat in veel gevallen nog steeds sprake is van (forse) verliezen is de Tozo verlengd met vier maanden.
In de nieuwe Tozo-regeling zal het inkomen van de partner meetellen. Bij de aanvraag moet daarom verklaard worden dat het huishoudinkomen (en dus niet alleen het inkomen van de zelfstandige) onder het sociaal minimum is gekomen als gevolg van de coronacrisis.

4. Crisispakket ‘NL leert door’

Doel van dit nog uit te werken crisispakket is het ondersteunen van mensen die hun werk als gevolg van de crisis dreigen te verliezen of al verloren hebben en de transitie naar ander kansrijk werk zullen moeten maken. Naast werknemers komen hier ook flexwerkers en zzp’ers voor in aanmerking. Het pakket zal bestaan uit ontwikkeladviezen en online scholing, met een focus op arbeidsmarktrelevante loopbaanstappen.

5. TOFA: Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten

De TOFA is een nieuwe regeling die specifiek is bedoeld voor flexwerkers die als gevolg van de coronacrisis substantieel inkomensverlies hebben geleden. Als zij geen aanspraak kunnen maken op een socialezekerheidsuitkering of op bijstand en onvoldoende middelen hebben om van rond te komen, hebben zij recht op deze tegemoetkoming. Deze kunt u dus als werkgever niet aanvragen, maar u wilt wellicht uw flexwerkers hierop wijzen.

Meer specifiek gaat het om de werknemer die:

  • In februari 2020 tenminste € 400,- bruto loon heeft ontvangen;
  • in maart 2020 tenminste € 1,- bruto loon heeft ontvangen;
  • op 1 april 2020 18 jaar of ouder is, maar nog niet de AOW-leeftijd heeft bereikt;
  • van wie het loon in april 2020 tenminste 50% lager was dan in februari 2020;
  • van wie het loon in april 2020 niet hoger was dan € 550,- bruto;
  • de regeling nodig heeft om in zijn levenskosten te voorzien;
  • geen andere inkomensvoorziening ontvangt;
  • niet voortvluchtig is of in de gevangenis zit.

De tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA) bedraagt bruto € 550 per maand over de maanden maart, april en mei 2020. De tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten kan worden aangevraagd bij het UWV.
Aanvragen kan vanaf 22 juni tot en met 12 juli.

6. Uitstel van betaling van belastingschulden

Het blijft mogelijk om in aanmerking te komen voor het versoepelde uitstel van betaling. Tot en met 1 oktober kan een verzoek worden gedaan om drie maanden uitstel van betaling. De invordering ligt dan stil.
Als u dit driemaandelijks uitstel al heeft aangevraagd (of dit door ons heeft laten doen), is het niet zo dat u na afloop van die drie maanden het gehele openstaande bedrag ineens moet betalen. U kunt dit uitstel met nog eens drie maanden verlengen. Uiteraard kunnen wij dit wederom voor u verzorgen. Na afloop van die tweede driemaandperiode wordt een passende betalingsregeling geboden.
U kunt ook om uitstel verzoeken dat langer duurt dan drie maanden. Daarbij moest al worden aangetoond dat de betalingsproblemen door de coronacrisis zijn veroorzaakt. Voor dit langere uitstel gaat nu de eis gelden dat de ondernemer voor de duur van het uitstel geen dividend en bonussen zal uitkeren.

Graag vernemen wij als wij u kunnen ondersteunen bij het doen van aanvragen c.q. verlengen van een of meerdere van de hierboven genoemde regelingen. Ook als nog niet bekend is vanaf welk moment de aanvragen kunnen worden ingediend, wij kunnen dan wel alvast de nodige voorbereidingen treffen om de aanvraag op dat latere moment alsnog direct in te kunnen dienen.

Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande vragen hebben, gelieve contact op te nemen met uw relatiebeheerder, met de heer Rob Gerlings of met Eric van Erve. We zijn u graag van dienst.

Blijf op de hoogte

Op de hoogte blijven van de belangrijkste maatregelen?
Laat uw e-mailadres achter en we sturen u een e-mail bij belangrijke updates en ontwikkelingen voor u als ondernemer m.b.t. het coronavirus.

Ontslag met wederzijds goedvinden

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een overeenkomst, waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan. Bij discussie over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd moet dus beoordeeld worden of er een overeenkomst is en of is voldaan aan het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging.

Een procedure bij de kantonrechter ging over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd. Volgens de kantonrechter is het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging ondergeschikt aan de vraag of partijen daadwerkelijk een overeenkomst tot wederzijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben bereikt. De kantonrechter stelde vast dat aan het schriftelijkheidsvereiste was voldaan in de vorm van een brief van de werkgever waarin stond dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden werd ontbonden.

Aan het tot stand komen van de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst stelt de wet geen vormvoorschriften. Er moet sprake zijn van een aanbod om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, welk aanbod door de wederpartij is aanvaard. Onder verwijzing naar het arrest Grillroom Ramses II van de Hoge Raad uit 2005 oordeelde de kantonrechter dat de werkgever schriftelijk een aanbod aan de werknemer heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Uit het feit dat de werknemer vervolgens met de nieuwe werkgever tot overeenstemming is gekomen en daar op 1 juli 2019 daadwerkelijk in dienst is getreden en zonder protest de bedrijfseigendommen van de oude werkgever heeft ingeleverd, mocht de oude werkgever afleiden dat de werknemer de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwde en het aanbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft aanvaard. Daarmee is een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tussen werknemer en werkgever tot stand gekomen. Dat betekende dat de werknemer geen recht had op de transitievergoeding of op de gevorderde gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Kamervragen pakket aanvullende fiscale maatregelen

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over het pakket aanvullende fiscale maatregelen in verband met de coronacrisis beantwoord. De vragen hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

  1. Gebruikelijk loon
  2. Urencriterium
  3. Werkkostenregeling
  4. Fiscale coronareserve
  5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

1. Gebruikelijk loon

De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat het gebruikelijk loon in 2020 bij omzetdalingen lager mag zijn. De verlaging moet evenredig zijn aan de omzetdaling in de eerste vier maanden van 2020 ten opzichte van de eerste vier maanden in 2019. De goedkeuring is gebonden aan voorwaarden. De rekening-courantschuld van de dga en het aan hem uitgekeerde dividend mogen niet toenemen. Als het loon van de dga feitelijk hoger is dan het goedgekeurde verlaagde gebruikelijk loon geldt dat hogere loon. Het gebruikelijk loon mag niet worden verlaagd voor zover de omzet in 2019 of 2020 beïnvloed is door andere bijzondere oorzaken dan de coronacrisis. Toepassing van de goedkeuring is niet afhankelijk van de absolute hoogte van de omzet. De staatssecretaris wijst erop dat de tijdelijke goedkeuring voor het verlagen van het gebruikelijk loon ook in 2009 en 2010 is toegepast en zijn nut heeft bewezen.

2. Urencriterium

Een van de maatregelen is een versoepeling van het urencriterium voor zelfstandige ondernemers. In de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 worden zij geacht ten minste 24 uren per week aan hun onderneming te hebben besteed. Deze regeling geldt ook voor ondernemers die tijdelijk in loondienst gaan werken. De goedkeuring bevat een aantal criteria die zien op een ondernemer die seizoensgebonden werkzaamheden verricht. Er dient een piek te zijn in het aantal uren dat de ondernemer gewoonlijk aan zijn onderneming besteedt in de periode van 1 maart tot en met 30 september. Tevens moeten zijn werkzaamheden seizoensgebonden zijn. Volgens de staatssecretaris is het aan de ondernemer om te beoordelen of hij aan deze criteria voldoet. Als dit het geval is, kan hij bij het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2020 aangeven of hij aan het urencriterium voldoet, met inachtneming van deze goedkeuring.

3. Werkkostenregeling

De vrije ruimte in de werkkostenregeling voor de eerste € 400.000 van de loonsom is voor 2020 verhoogd van 1,7 naar 3%. Alle werkgevers profiteren van de verruiming van de vrije ruimte. De verruiming is bedoeld om werkgevers die daar de financiële ruimte voor hebben de mogelijkheid te bieden om hun werknemers extra tegemoet te komen.

4. Fiscale coronareserve

De fiscale coronareserve is een mogelijkheid om al in de aangifte over 2019 rekening te houden met een verwacht verlies over 2020. De reserve kan niet groter zijn dan het verwachte coronagerelateerde verlies in het jaar 2020. Ondernemers die gebruik willen maken van de fiscale coronareserve krijgen niet te maken met een verzwaarde bewijslast. De ondernemer moet aannemelijk kunnen maken dat hij recht heeft op de fiscale coronareserve zoals hij die in zijn aangifte vennootschapsbelasting over 2019 heeft opgenomen. De reserve valt in het jaar 2020 verplicht vrij in de winst. Vorming van de reserve betekent een liquiditeitsvoordeel voor de ondernemer door verlaging van de verschuldigde vennootschapsbelasting over 2019. In het kader van de mogelijkheden van de vorming van een fiscale coronareserve en verliesverrekening is gevraagd naar verlenging van de termijn voor toepassing van de middelingsregeling. De staatssecretaris vindt de termijn van drie jaar na de vaststelling van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het laatste middelingstijdvakjaar voldoende.

5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

Wanneer een belastingplichtige met de bank een betaalpauze voor de hypotheekverplichtingen overeenkomt, stelt de bank vast of sprake is van betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis en of een betaalpauze de meest aangewezen oplossing is. Een dergelijke vaststelling ontbreekt bij een lening die bij een ander dan een aangewezen administratieplichtige is aangegaan. Daarom geldt als aanvullende voorwaarde dat er sprake moet zijn van een terugval in arbeidsinkomen als gevolg van de coronacrisis van ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden. Voor een lening waarop de fiscale aflossingseis niet van toepassing is, heeft een betaalpauze geen ongewenste fiscale gevolgen en geldt geen tegemoetkoming. Het enige gevolg van het op een later moment betalen van rente is dat het aftrekmoment kan verschuiven. Indien de niet-betaalde rente niet rentedragend is geworden, is de rente aftrekbaar op het moment van betaling.

Geen differentiatie in tarief overdrachtsbelasting

De Tweede Kamer heeft in 2019 het kabinet gevraagd om onderzoek te doen naar de invoering van een gedifferentieerd tarief in de overdrachtsbelasting. Starters op de woningmarkt zouden moeten worden vrijgesteld en beleggers zouden vanaf de derde woning met een hoger tarief te maken moeten krijgen.

De staatssecretaris van Financiën heeft de onderzoeksrapporten naar de Tweede Kamer gestuurd.

Voor het onderzoek is een starter gedefinieerd als een natuurlijke persoon die voor het eerst een woning verkrijgt. Een belegger is gedefinieerd als een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die op het moment van de verkrijging van een woning al twee of meer woningen heeft. Starters worden vrijgesteld van overdrachtsbelasting, terwijl beleggers 6 of 10% overdrachtsbelasting gaan betalen.

Volgens de onderzoekers heeft differentiatie van de overdrachtsbelasting slechts een beperkt effect op de woningmarkt. De redenen hiervoor zijn dat beleggers de hogere overdrachtsbelasting eenvoudig kunnen ontwijken, beleggers en starters elkaar alleen in bepaalde gebieden beconcurreren en beleggers in sommige regio’s de hogere kosten kunnen doorberekenen in de huurprijs. De differentiatie van de overdrachtsbelasting is niet tot nauwelijks uitvoerbaar omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of een koper een starter of een belegger is.

Er is onderzocht of andere definities een mogelijke differentiatie van de overdrachtsbelasting kunnen verbeteren. Dat lijkt niet het geval te zijn.

De structurele problemen op de woningmarkt worden veroorzaakt door een te beperkt aanbod van woningen. Differentiatie van de overdrachtsbelasting lost dat niet op.

Bedragen uurloongrenzen jeugd-LIV 2020

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de onder- en bovengrenzen van de bandbreedte van het uurloon voor de toepassing van het jeugd-LIV voor het jaar 2020 vastgesteld.

 Leeftijd op 31-12-2019  ondergrens  bovengrens
 20 jaar  € 8,30  € 10,29
 19 jaar  € 6,23  €   9,24
 18 jaar  € 5,19  €   6,93

Wetsvoorstel excessief lenen naar Tweede Kamer

Bij de presentatie van het Belastingplan 2019 in september 2018 heeft het kabinet aangekondigd met een wetsvoorstel te komen dat excessief lenen door houders van een aanmerkelijk belang bij de eigen vennootschap moet tegengaan. Dat wetsvoorstel is nu ingediend bij de Tweede Kamer. Door geld te lenen van de eigen vennootschap kan de aanmerkelijkbelanghouder de belastingheffing over dit bedrag langdurig uitstellen of zelfs afstellen.

Inhoud wetsvoorstel

Als het totaal van de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan de vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, dan wordt het meerdere als inkomen uit aanmerkelijk belang belast. Dat gebeurt door dit meerdere aan te merken als een fictief regulier voordeel. De bepaling van de hoogte van de schuld vindt ieder kalenderjaar plaats op de laatste dag van het jaar op basis van de nominale waarde. Deze maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang. Dit betekent dat de maatregel geen andere fiscale gevolgen heeft en dus niet van belang is voor de belastingheffing in box 1 en box 3 van de inkomstenbelasting, voor de dividendbelasting of de vennootschapsbelasting. Ook civielrechtelijk heeft deze maatregel geen betekenis. De schuld aan de vennootschap blijft bestaan, inclusief de rente- en aflossingsverplichtingen.

Het fictieve reguliere voordeel kan positief of negatief zijn. Het negatieve fictieve reguliere voordeel heeft als doel om economische dubbele heffing te voorkomen.

Kring van betrokkenen

De aanmerkelijkbelanghouder wordt samen met zijn partner in de heffing betrokken voor hun schulden boven de € 500.000 aan de vennootschap. Naast de aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner geldt de maatregel ook voor met de aanmerkelijkbelanghouder verbonden personen die schulden hebben aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder. Verbonden personen zijn de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de aanmerkelijkbelanghouder en van zijn partner. De schulden van een verbonden persoon worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien deze meer bedragen dan € 500.000 en de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in de vennootschap heeft.

Uitzondering voor eigenwoningschuld

Een schuld die kwalificeert als eigenwoningschuld voor de eigenwoningregeling van box 1 telt niet mee voor de bepaling of het totaal aan schulden hoger is dan € 500.000. Voorwaarde is dat aan de vennootschap een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt. Deze voorwaarde wordt niet gesteld aan op 31 december 2021 bestaande eigenwoningschulden.

Maximumbedrag

Het maximumbedrag aan schulden bedraagt in beginsel € 500.000. Het maximumbedrag wordt verhoogd met het bedrag dat als fictief regulier voordeel op grond van deze regeling is belast. Op deze manier wordt voorkomen dat over hetzelfde bovenmatige gedeelte van de schulden ieder jaar een fictief regulier voordeel in aanmerking wordt genomen.

Voorkomen dubbele heffing

Zonder verdere maatregelen kan zich dubbele belastingheffing voordoen wanneer een aanmerkelijkbelanghouder meer dan € 500.000 heeft geleend bij zijn eigen vennootschap. Nadat een fictief regulier voordeel in aanmerking is genomen wordt een latere dividenduitkering, die wordt gebruikt om de schuld af te lossen, als regulier voordeel in de belastingheffing betrokken. Economisch gezien is daardoor sprake van dubbele heffing. Datzelfde doet zich voor bij vervreemding van de aandelen, waarbij over de meerwaarde van de aandelen belasting in box 2 moet worden betaald. Economische dubbele heffing moet worden voorkomen doordat het fictieve reguliere voordeel ook negatief kan zijn. Een negatief fictief regulier voordeel doet zich voor bij aflossing van de schuld nadat het maximumbedrag van € 500.000 eerder is verhoogd met het bedrag van een positief fictief regulier voordeel. Na aflossing zal de totale schuld aan het einde van het jaar lager zijn dan het verhoogde maximumbedrag. Het verschil wordt als een negatief fictief regulier voordeel bij de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in het jaar van aflossing in aanmerking genomen. Het maximumbedrag wordt vervolgens met hetzelfde bedrag verlaagd.

Inwerkingtreding

De wet moet op 1 januari 2023 in werking treden. Deze datum van inwerkingtreding biedt aanmerkelijkbelanghouders de mogelijkheid om hun schuldpositie terug te brengen tot maximaal € 500.000.