Met de auto van de zaak naar de zon

Als u met de auto van de zaak op vakantie naar het buitenland gaat, hoe zit het dan met de in het buitenland gemaakt kosten? Wat moet u vooral niet vergeten?

Autovakantie:
De vakantie staat weer voor de deur en dus trekken we er weer massaal op uit. Daarbij wordt vaak de auto gebruikt om op de vakantiebestemming te komen. Gebruikt u hiervoor de auto van de zaak, denk er dan aan dat ook de in het buitenland gemaakte kosten zakelijk zijn en dus voor uw BV aftrekbaar.

Brandstof, tolkosten, reparaties:
Onderweg tankt u natuurlijk een aantal keer en als het tegenzit, moet u wellicht ook de garage nog opzoeken. Deze kosten zijn, omdat het een auto van de zaak betreft, zakelijk en dus aftrekbaar. Ook al maakt u die kosten tijdens uw vakantie. Als “tegenprestatie” voor uw privégebruik moet u immers al belasting betalen via de bekende bijtelling en daarmee is in beginsel de kous af.
Alle kosten die u onderweg maakt, zijn dus in principe aftrekbaar en dat geldt ook als de kosten in het buitenland gemaakt zijn. Het is natuurlijk wel van belang om voor bewijs te zorgen. Bewaar dus benzinebonnen, facturen van reparaties, toltickets, e.d..

Extra bijtelling privégebruik:
Houd er wel rekening mee da de bijtelling voor privégebruik in beginsel het wettelijke vastgestelde percentage is, maar da de inspecteur hiervan mag afwijken bij relatief veel privégebruik. Hij zal dit dan wel aannemelijk moeten maken. Maar als u even heel kort door de bocht genomen, vier keer per jaar met de auto op vakantie naar Italië gaat, is dit natuurlijk een koud kunstje. Overdrijf het dus ook weer niet.

Wat met de buitenlandse btw:
Ook de btw op de kosten van uw auto van de zaak is voor uw BV aftrekbaar, zelfs als het facturen tijdens een buitenlandse vakantie betreft. Dit vergt wel de nodige administratieve inspanningen. Bovendien gelden er aanvullende eisen, zoals een minimumbedrag van € 50,– als grens voordat de btw geclaimd kan worden. Het terugvragen van de in het buitenland betaalde btw verloopt digitaal via Nederlandse Belastingdienst. Bij het terugvragen moet u de betaalde btw per land specificeren. Soms moet u de factuur meesturen.

 

Geen aftrek voorbelasting business seats

Ondernemers hebben in beginsel recht op aftrek van de omzetbelasting die andere ondernemers voor leveringen en diensten in rekening hebben gebracht. Niet alle in rekening gebrachte omzetbelasting is aftrekbaar. Het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) beperkt de aftrek van voorbelasting in een aantal specifieke gevallen. De aftrek is uitgesloten voor relatiegeschenken aan personen of ondernemingen die zelf geen of een beperkt recht op aftrek van voorbelasting hebben, zoals overheden en btw-vrijgestelde ondernemers. Ook is de aftrek uitgesloten voor allerlei diensten aan het personeel, zoals het uitkeren van loon in natura en het geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privévervoer van personeelsleden.

De bewijslast dat het BUA van toepassing is en in rekening gebrachte omzetbelasting dus niet aftrekbaar is, ligt bij de Belastingdienst. Dat ontslaat de ondernemer niet van de plicht om in voorkomende gevallen het ongelijk van de inspecteur te kunnen bewijzen. Het is de ondernemer die aanspraak maakt op aftrek van voorbelasting. Wanneer de inspecteur deze aanspraak betwist, zal de ondernemer met de benodigde gegevens moeten komen om zijn standpunt te onderbouwen.

Een voorbeeld waarin het bewijsrechtelijk misging is de volgende casus. Een ondernemer huurde business seats bij een voetbalclub en nodigde zakenrelaties uit om met hem of een van zijn personeelsleden wedstrijden te bekijken. De voor de huur van de zitplaatsen in rekening gebrachte omzetbelasting bracht de ondernemer volledig in aftrek. De Belastingdienst corrigeerde de aftrek van voorbelasting met een naheffingsaanslag omzetbelasting, gebaseerd op twee gronden van het BUA. Ten eerste betrof het de uitsluiting van aftrek voor relatiegeschenken en ten tweede de verlening van diensten aan het personeel. Bezien vanuit de modale consument overheerst bij de terbeschikkingstelling van business seats aan personeelsleden hun persoonlijke belang.

De ondernemer had geen gegevens bijgehouden van welke zakenrelaties hij wanneer had meegenomen om wedstrijden te bezoeken. Het niet bijhouden van deze gegevens kwam de ondernemer duur te staan. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de meegenomen zakenrelaties zelf geen recht op aftrek van voorbelasting zouden hebben gehad indien rechtstreeks aan hen zou zijn gefactureerd. Door geen gegevens te kunnen verstrekken, had de ondernemer de stelling van de inspecteur onvoldoende gemotiveerd betwist en had de inspecteur aan zijn bewijslast, dat het BUA van toepassing is, voldaan.

Ten aanzien van het gebruik van de business seats door personeelsleden heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het bezoeken van een recreatief evenement als een sportwedstrijd in het algemeen een persoonlijke keuze is. Dat geldt ook voor werknemers die op kosten van de werkgever wedstrijden in een voetbalstadion kunnen bijwonen. Wanneer een ondernemer zijn personeel daartoe in de gelegenheid stelt, is het vermoeden gerechtvaardigd dat dit hun privédoeleinden dient. In die gevallen is het BUA van toepassing. De ondernemer kan dit vermoeden ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat het bijwonen van het evenement plaatsvond met (potentiële) zakenrelaties. Het BUA is dan niet van toepassing omdat het zakelijke belang overheersend is. Het eventuele persoonlijke voordeel voor de werknemers is dan van bijkomstige aard. Beslissend is met welk doel de ondernemer zijn personeel een evenement laat bijwonen en niet de persoonlijke beleving van het personeel.

Toepassing verleggingsregeling

Volgens de Wet op de omzetbelasting is de ondernemer die een levering of dienst verricht in beginsel degene van wie de belasting wordt geheven. In een aantal gevallen geldt een verleggingsregeling en wordt de omzetbelasting geheven van de afnemer van de levering of de dienst. Een van de gevallen waarin een verleggingsregeling van toepassing is heeft betrekking op de levering van een als zekerheid dienende onroerende zaak aan een ondernemer tot executie van die zekerheid. Deze regeling is ingevoerd om te voorkomen dat de verschuldigde omzetbelasting niet aan de Belastingdienst wordt betaald, terwijl de afnemer de omzetbelasting wel in aftrek kan brengen.

Volgens de Hoge Raad geldt deze verleggingsregeling ook wanneer de hypotheeknemer niet overgaat tot executie, maar een regeling met de hypotheekgever treft op grond waarvan de onroerende zaak onderhands wordt verkocht en met de opbrengst de schuld aan de hypotheeknemer wordt afgelost. Zonder toepassing van de verleggingsregeling zou de hypotheeknemer verhaal kunnen zoeken op door de hypotheekgever verschuldigde omzetbelasting, waardoor deze niet aan de Belastingdienst zou worden betaald, terwijl de koper die omzetbelasting wel in aftrek kan brengen. Degene, die een beroep doet op toepassing van de verleggingsregeling, moet de feiten stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat aan de voorwaarden is voldaan.

Alternatieven btw-identificatienummer

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in het btw-identificatienummer. Volgens de AP heeft het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer geen wettelijke grondslag. Het BSN is een vertrouwelijk persoonsnummer voor communicatie tussen overheid en burger. Het gebruik van het BSN als btw-identificatienummer is niet noodzakelijk voor de uitvoering van de taak van de Belastingdienst. Voor de registratie van een btw-ondernemer kan een nummer worden gebruikt dat niet op het BSN is gebaseerd.

Naar aanleiding van het onderzoek van de AP deelt de staatssecretaris van Financiën mee dat hij op zoek gaat naar een haalbaar alternatief. Een mogelijkheid kan zijn dat bestaande en nieuwe ondernemers/natuurlijke personen een nieuw btw-identificatienummer krijgen voor extern gebruik. Dat nummer wordt dan gebruikt in alle uitingen aan derden waarin vermelding van een btw-nummer verplicht is en in contacten met de Belastingdienst. De Belastingdienst gebruikt het nieuwe nummer in deze optiek in berichten aan de ondernemer waarin vermelding van het btw-identificatienummer vereist is en die de ondernemer moet delen met derden.

Binnen de systemen van de Belastingdienst blijft het op het BSN-gebaseerde nummer van de ondernemer in gebruik. Om dit te realiseren moet er een conversieservice worden gebouwd, die het nieuwe nummer bij inkomend verkeer omzet naar het oude nummer en bij uitgaand verkeer andersom. Of dit haalbaar en werkbaar is, wordt momenteel onderzocht. De nieuwe nummersystematiek zal niet voor de door de AP genoemde datum van 1 januari 2019 gerealiseerd kunnen worden.

Geen aftrek voorbelasting als niet is geleverd

Ondernemers moeten omzetbelasting berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen voor de levering van goederen of het verrichten van diensten. De btw-richtlijn omschrijft de levering van een goed als de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. De belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. Op dat moment ontstaat bij de afnemer het recht op aftrek van de door hem betaalde omzetbelasting. Het recht op aftrek van voorbelasting is beperkt tot de mate waarin de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen door de afnemer.

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs de vraag beantwoord of het recht op aftrek van voorbelasting mag worden geweigerd omdat de gefactureerde goederen niet zijn geleverd aan de ondernemer aan wie de factuur is gericht. De verwijzende rechter wilde met name weten of voor het weigeren van aftrek nodig is om aan te tonen dat de ondernemer wist of had moeten weten dat het ging om btw-fraude. Volgens het Hof van Justitie EU is in het btw-stelsel het recht op aftrek gekoppeld aan de daadwerkelijke levering van een goed of de daadwerkelijke verrichting van een dienst. Het is uitgesloten dat er enig recht op aftrek ontstaat wanneer er geen daadwerkelijke levering of dienstverrichting plaatsvindt. Eerder heeft het Hof van Justitie EU al uitgelegd dat er geen recht op aftrek is voor belasting die uitsluitend is verschuldigd omdat zij wordt vermeld op een factuur. Het Hof van Justitie EU merkt nog op, dat degene die voorbelasting wenst af te trekken moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan.

Verhuur ligplaatsen

Het recht om gebruik te maken van sportaccommodaties valt onder het lage btw-tarief. Het gebruik van de sportaccommodatie moet verband houden met de beoefening van sport. Diensten die bestaan uit stalling of opslag van attributen waarmee een sport wordt bedreven vallen niet onder het gebruik van sportaccommodaties en vallen dus niet onder het lage tarief.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is de verhuur van de ligplaatsen voor zeilboten en snelle motorboten door een watersportvereniging belast met het hoge tarief omzetbelasting. Het hof merkt deze dienst van de vereniging aan als de verhuur van parkeerruimte voor boten. De verhuur van ligplaatsen kan niet worden gerangschikt onder het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, omdat het sporten niet plaatsvindt in de jachthaven maar in open water.

Het oordeel van het hof komt erop neer dat de ligplaatsen zelf niet zijn bestemd voor sportbeoefening, maar dat de dienst van de vereniging bestaat uit het passieve verblijf van boten in de jachthaven en het in goede staat bewaren ervan. Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep in cassatie van de vereniging is ongegrond.

Aftrek voorbelasting op kosten strategische overname

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU verricht een zuivere holdingmaatschappij geen economische activiteiten voor de omzetbelasting. Dat heeft tot gevolg dat een holding geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. Een zuivere holding heeft geen andere activiteiten dan het verwerven en aanhouden van deelnemingen. Volgens het Hof van Justitie EU hebben ondernemers recht op aftrek van voorbelasting op mislukte investeringen.

Aan het Hof van Justitie EU zijn vragen gesteld over het recht op aftrek van voorbelasting die betrekking heeft op kosten van een mislukte strategische overname van een concurrent door een ondernemer. De ondernemer was geen zuivere holdingmaatschappij. De vraag is of de beperking van aftrek van voorbelasting, zoals die uit de holdingjurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt, in een dergelijk geval van toepassing is. De conclusie van de Advocaat-generaal is dat er geen beperking van het recht op aftrek van voorbelasting dient te gelden. Volgens de conclusie is de verwerving van aandelen in een vennootschap een economische activiteit als de verwerving wordt gedaan ter uitbreiding van de belastbare activiteiten van de verkrijgende vennootschap. De kosten die de verkrijgende vennootschap in dat verband heeft gemaakt, staan in rechtstreeks en onmiddellijk verband met de belastbare activiteiten, zodat de daarover betaalde omzetbelasting in aanmerking komt voor aftrek als voorbelasting.

Financiën publiceert voorstel wijziging kleineondernemersregeling

Het ministerie van Financiën heeft een voorstel tot wijziging van de kleineondernemersregeling in de omzetbelasting ter consultatie gelegd. De huidige regeling geldt voor natuurlijke personen die op jaarbasis minder dan € 1.883 aan btw verschuldigd zijn.

De voorgestelde regeling wordt ruimer, omdat deze ook gaat gelden voor andere ondernemers dan natuurlijke personen, zoals bv’s, stichtingen en verenigingen. Daarnaast wordt de jaaromzet van de ondernemer het uitgangspunt voor de regeling in plaats van de per saldo verschuldigde btw. Ondernemers die de nieuwe regeling toepassen brengen geen omzetbelasting in rekening aan hun afnemers en zijn ontheven van het doen van btw-aangifte en van de bijhorende administratieve verplichtingen. De nieuwe regeling is gebaseerd op de in de btw-richtlijn 2006 opgenomen vrijstellingsregeling. Het is de bedoeling dat de nieuwe regeling op 1 januari 2020 in werking treedt.

Belangstellenden kunnen tot 1 mei 2018 reageren op het voorstel op www.overheid.nl.

Wetsvoorstel btw-behandeling vouchers aangenomen

Het wetsvoorstel betreffende de btw-behandeling van vouchers is door de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan. Een hamerstuk is een wetsvoorstel waarover niemand tijdens een plenaire vergadering het woord wenst te voeren en dat zonder stemming wordt aanvaard.

Het wetsvoorstel is bedoeld ter invoering van de Europese voucherrichtlijn in de Wet op de omzetbelasting. Er is gestreefd naar een zo nauwkeurig mogelijke aansluiting van de bepalingen in de nationale wet bij de tekst van de richtlijn. De ingangsdatum van de nieuwe regels is 1 januari 2019.

Geen laag tarief voor parkeren

In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad het bieden van parkeergelegenheid bij een attractiepark aangemerkt als een op zichzelf staande dienst. In een later arrest uit 2012 heeft de Hoge Raad gezegd dat bij een combinatie van diensten, zoals het bieden van parkeergelegenheid en de toegang tot een attractiepark, voor beide prestaties mogelijk hetzelfde tarief voor de omzetbelasting geldt. Dat is het geval wanneer een dienst de hoofdprestatie vormt en de andere dienst voor de klant geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs een procedure behandeld over de vraag of het bieden van parkeergelegenheid een bijkomende dienst was bij het verlenen van toegang tot een attractiepark. Het hof merkte de gelegenheid tot parkeren voor de modale bezoeker aan als een doel op zich. Een bezoeker kan met verschillende vervoermiddelen naar het attractiepark komen. Als hij met de auto komt, weet dat hij zijn auto niet zomaar ergens kan achterlaten. De tijdelijke bestemming van de auto is voor deze bezoeker een behoefte op zich. Het voorzien in deze behoefte is een zelfstandige prestatie. Op die dienst is het hoge omzetbelastingtarief van toepassing.