Volledige schuld aandeelhouder als uitdeling van winst aangemerkt

Er is sprake van een winstuitdeling, die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoort, wanneer zich een vermogensverschuiving van een nv of bv naar een aandeelhouder voordoet, die wordt gedekt door in de nv of bv aanwezige winst. Inkomen uit aanmerkelijk belang valt in box 2 van de inkomstenbelasting en wordt belast tegen een tarief van 25%.

De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op aan de enig aandeelhouder van een nv in verband met een winstuitdeling. De aandeelhouder had een schuld aan de nv van € 11 miljoen uit hoofde van geldlening en een rekening-courantschuld van € 1,2 miljoen. De aandeelhouder bezat een landgoed in Frankrijk. Volgens de leningovereenkomst was de aandeelhouder bij verkoop van het landgoed verplicht om de opbrengst te gebruiken voor aflossing van zijn schuld. Wanneer de aandeelhouder zich niet zou houden aan zijn verplichtingen uit de leningovereenkomst werd de lening direct opeisbaar. Na de verkoop van het landgoed in 2010 maakte de aandeelhouder de opbrengt van de verkoop van € 4,4 miljoen over naar de bankrekening van de nv, maar op dezelfde dag maakte de nv een bedrag van € 4,75 miljoen over naar de aandeelhouder. De nv ondernam geen stappen om de aandeelhouder tot aflossing van de lening over te laten gaan. Gezien deze handelingen was redelijkerwijs niet meer te verwachten dat de aandeelhouder nog aan zijn aflosverplichtingen zou voldoen. Door uit aandeelhoudersoverwegingen af te zien van invorderingsmaatregelen heeft zich de voor een winstuitdeling vereiste vermogensverschuiving ten laste van de winst van de nv voltrokken. Zowel de nv als de aandeelhouder moeten zich van die vermogensverschuiving bewust zijn geweest.

Omdat de geldlening niet werd en vermoedelijk niet zal worden afgelost, ging de rechtbank ervan uit dat ook de rekening-courantschuld niet zal worden afgelost. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Belastingdienst terecht belasting nagevorderd over het gehele bedrag van de schulden. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank onderschreven.

Mkb-winstvrijstelling en verlies uit onderneming

De winst uit onderneming in de inkomstenbelasting wordt verminderd met de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling. De mkb-winstvrijstelling bedraagt 14% van het gezamenlijke bedrag aan winst uit onderneming na vermindering met de ondernemersaftrek. Bij de invoering van de mkb-winstvrijstelling is duidelijk gemaakt dat het begrip winst algebraïsch moet worden opgevat en dus zowel positieve als negatieve winsten (verliezen) omvat. De mkb-winstvrijstelling is dus ook van toepassing in geval van verlies. In dat geval leidt de vrijstelling echter tot een verhoging van de winst. Volgens de wetgever is dat vereist vanwege de systematiek van de wet. Het niet toepassen van de mkb-winstvrijstelling in verliessituaties zou tot gevolg hebben dat verliezen materieel tegen hogere tarieven worden verrekend dan de tarieven waartegen winsten worden belast.

Het beroep dat een verlieslijdende ondernemer in een procedure deed op het gelijkheidsbeginsel is door de rechtbank afgewezen. De wetgever heeft een redelijke rechtvaardiging voor de beperking van te verrekenen verliezen kunnen vinden in het uitgangspunt dat ondernemers, ongeacht het verloop van de resultaten van hun ondernemingen, in gelijke mate moeten worden belast. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam zich bij het oordeel van de rechtbank aangesloten.

Wijziging verdeling vermogen in box 3

Fiscale partners kunnen voor de belastingheffing hun vermogen in box 3 onderling verdelen in iedere gewenste verhouding, zolang zij gezamenlijk maar het gehele vermogen aangeven. De keuze van de partners voor een vermogensverdeling wordt gemaakt bij de aangifte, maar kan gewijzigd worden zolang de aanslagen niet onherroepelijk vaststaan. Een belastingplichtige is alleen gebonden aan een akkoordverklaring met een verdeling van het vermogen in box 3 als die verklaring onderdeel is van een compromis waarin uitdrukkelijk afstand is gedaan van het recht om deze verdeling te wijzigen.

De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd waarin het hof meende dat het in strijd is met een goede procesorde om in de loop van een procedure een andere verdeling te maken. De procedure had betrekking op verzwegen tegoeden in het buitenland van de inmiddels ex-partner. De Belastingdienst had de correcties van de aangifte toegerekend aan ieder van de toenmalige partners bij helfte. In de procedure over de aanslagen was namens de belanghebbende ter zitting verklaard dat de rendementsgrondslag geheel bij de ex?partner in aanmerking kon worden genomen. Op advies van het hof trok de gemachtigde van de belanghebbende dat standpunt in en verklaarde hij dat het hof verdeling bij helfte als uitgangspunt kon nemen. Volgens het hof zou het in strijd zijn met de goede procesorde als de belanghebbende daarna op die verklaring zou terugkomen. Die opvatting van het hof is niet juist.

Forfaitaire rendementen en heffingvrij vermogen 2019

In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën de forfaitaire rendementen per vermogensschijf en de hoogte van het heffingvrij vermogen in box 3 voor 2019 bekend gemaakt. Het heffingvrije vermogen wordt volgens het indexatiemechanisme voor 2019 verhoogd naar € 30.360.

Rendement per vermogensschijf

 Van € 0 tot en met € 71.650

Van € 71.651 tot en met € 989.736

Meer dan € 989.736

Weging sparen

67%

21%

0%

Weging beleggen

33%

79%

100%

2017

2,87%

4,60%

5,39%

2018

2,02%

4,33%

5,38%

2019

1,94%

4,45%

5,60%

Met ingang van 2018 wordt voor de bepaling van het forfaitaire rendement op sparen beter aangesloten bij het actuele rendement. Het spaarrendement wordt vastgesteld aan de hand van de meest recente beschikbare periode van twaalf maanden. Dat is de periode van juli in het jaar (t-2) tot en met juni van het jaar (t-1). Het forfaitaire rendement voor sparen voor 2019 is vastgesteld op 0,13%.

Het forfaitaire rendement voor beleggen is het gewogen gemiddelde van het langetermijnrendement van het voorgaande jaar en het jaarrendement van het daaraan voorafgaande jaar. Het langetermijnrendement van het voorgaande jaar telt mee voor 14/15e deel en het jaarrendement voor 1/15e deel. Door de stijging van de huizenprijzen en van de aandelenkoersen komt het rendement voor beleggingen voor 2019 uit op 5,60%.

Kleindochter geen pleegkind van oma

De Wet op de inkomstenbelasting kent het begrip “pleegkind”, maar omvat geen nadere omschrijving van het begrip. Daarvoor wordt aangesloten bij de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Volgens de AKW is een pleegkind het kind (van een ander) dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Om als pleegkind aangemerkt te worden moet voldaan zijn aan de onderhoudseis en aan de opvoedingseis.

Een grootmoeder claimde toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande-ouderkorting in verband met haar inwonende kleindochter. In geschil was of de kleindochter als pleegkind kon worden aangemerkt. Niet in geschil was dat aan de opvoedingseis was voldaan. De discussie spitste zich toe op de onderhoudseis. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat aan die eis niet was voldaan. Bepalend daarvoor was dat een substantieel deel van de onderhoudskosten van de kleindochter werd gedekt door een pleegzorgvergoeding die grootmoeder had ontvangen. De ontvangen pleegzorgvergoeding bedroeg € 6.048, terwijl de totale kosten voor het levensonderhoud van de kleindochter volgens grootmoeder € 8.838 bedroegen. De kleindochter gold voor toepassing van de Wet IB niet als een pleegkind. Dat had tot gevolg dat grootmoeder geen recht had op de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande-ouderkorting.

Betaling zwart loon impliceert geen zwarte omzet

Wanneer de Belastingdienst vaststelt dat een bedrijf zwarte lonen uitbetaald, leidt dat tot het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen en boetes. De constatering van zwarte lonen hangt vaak samen met niet verantwoorde omzet. Is dat het geval, dan volgen er naheffingsaanslagen omzetbelasting en navorderingsaanslagen inkomsten- of vennootschapsbelasting en nog meer boetes. Dat zwarte lonen samenhangen met zwarte omzet is echter geen automatisme. De niet in de loonadministratie verwerkte lonen kunnen als een andere kostenpost in de administratie zijn verwerkt. Net als voor de betaling van zwarte lonen ligt de bewijslast voor zwarte omzet bij de Belastingdienst. Die slaagt er niet altijd in om naast zwarte lonen ook zwarte omzet aannemelijk te maken.

Naar aanleiding van ontvangen informatie stelde de Belastingdienst een onderzoek in naar de aanvaardbaarheid van aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen bij enkele vennootschappen. Daaruit bleek dat in de jaren 2007 tot en met 2009 zwarte lonen zijn betaald. Aan de vennootschappen zijn naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd. Volgens de inspecteur betekende de constatering van zwarte lonen dat de vennootschappen zwarte omzet moeten hebben behaald en dat de behaalde winst als verkapte uitdeling aan de dga ten goede is gekomen. Daarom legde de inspecteur een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2007 op, waarin de uitdeling als inkomen uit aanmerkelijk belang is opgenomen. Aan de vennootschappen werden naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd ter correctie van de verzwegen omzet.

Volgens de rechtbank heeft de inspecteur de verzwegen (zwarte) omzet niet aannemelijk gemaakt. Dat betekende dat de beroepen tegen de navorderingsaanslag en de naheffingsaanslagen omzetbelasting gegrond waren. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep van de inspecteur afgewezen. Anders dan de inspecteur veronderstelt, betekent de constatering van betaling van zwarte lonen niet dat daar niet geboekte omzet tegenover staat. Er kan niet worden uitgesloten dat de zwarte lonen zijn voldaan uit verantwoorde (zwarte) omzet, maar anders dan als loonkosten in de boekhouding zijn verantwoord. Uit het controlerapport blijkt niet dat is gecontroleerd of die andere wijze van boeking zich kan hebben voorgedaan. De inspecteur heeft de gestelde bedragen aan zwarte omzet niet aannemelijk gemaakt en daarmee ook niet dat een gedeelte daarvan als uitdeling van winst aan de dga ten goede is gekomen.

Ondanks lage omzet toch voldaan aan urencriterium

Een ondernemer heeft recht op zelfstandigenaftrek wanneer hij ten minste 1.225 uur per jaar besteedt aan zijn onderneming. De zelfstandigenaftrek vermindert het belastbare inkomen van de ondernemer. De bewijslast voor het voldoen aan het urencriterium rust op de ondernemer. Het bijhouden van een urenadministratie is een hulpmiddel om de tijdbesteding van de ondernemer te onderbouwen.

Een meubelstoffeerder, die geen urenadministratie bijhield, maakte volgens Hof Arnhem-Leeuwarden toch aannemelijk dat hij aan het urencriterium voldeed. Het hof vond de verklaring van de meubelstoffeerder dat hij dagelijks zes uur per dag bezig was in zijn werkplaats met werkzaamheden voor zijn onderneming geloofwaardig. Dat strookte met eerder afgelegde verklaringen van de stoffeerder. Hoewel het feitelijk behaalde uurtarief laag was ten opzichte van het branchegemiddelde, vond het hof aannemelijk dat de ondernemer door zijn leeftijd meer tijd voor zijn opdrachten nodig had dan vroeger. Verder verklaarde de ondernemer dat hij de tijd had om zijn opdrachten goed en zorgvuldig uit te voeren en dat hij nog steeds veel plezier beleeft aan zijn werk. Het ten opzichte van de bestede tijd lage inkomen nam de meubelstoffeerder daarom voor lief.

Uitgaande van minimaal 40 weken per jaar, vijf dagen per week en zes uur per dag besteedde de meubelstoffeerder in ieder geval 1.200 directe uren aan zijn onderneming. Niet in geschil was dat de ondernemer in ieder geval 25 uur op kalenderjaarbasis aan acquisitie, onderhoud van materialen en administratie besteedde. Daarmee was aannemelijk gemaakt dat de meubelstoffeerder meer dan 1.225 uren per kalenderjaar aan werkzaamheden voor zijn onderneming heeft besteed en dus aan het urencriterium voldeed. De zelfstandigenaftrek was ten onrechte gecorrigeerd.

Hoe lang mag inspecteur wachten met opvragen bewijsstukken?

De betaalde rente over de eigenwoningschuld is aftrekbaar in box 1 van de inkomstenbelasting. De eigenwoningschuld omvat alle schulden die zijn aangegaan voor de aankoop van de eigen woning verminderd met het bedrag van de eigenwoningreserve. De eigenwoningschuld wordt verhoogd met de schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning. De eigenaar van de woning moet de kosten van verbetering en onderhoud kunnen bewijzen met schriftelijke stukken. Zonder bewijzen mag de inspecteur de aftrek van rente weigeren.

De vraag in een procedure was tot wanneer de inspecteur mag vragen om bewijzen van een verbouwing. De inspecteur had in 2013 gevraagd om schriftelijke bescheiden die betrekking hadden op kosten van een verbouwing die in 2007 had plaatsgevonden. Dat gebeurde bij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting over 2010. De aangiften van de jaren 2007 tot en met 2009 waren steeds zonder correctie in verband met de verhoging van de hypothecaire schuld gevolgd. Ook de aanslagen over 2013, 2014 en 2015 werden opgelegd conform de aangiften op basis van de hypotheekschuld inclusief de verhoging van 2007.

Volgens Hof Den Bosch komt er een moment waarop de inspecteur niet meer om bewijs mag vragen omdat hij daar te lang mee heeft gewacht. Het hof baseert dat op een conclusie van de A-G voor een arrest van de Hoge Raad uit 2007. Hoewel van een belastingplichtige zorgvuldigheid mag worden gevraagd bij het bewaren van bewijsstukken voor door hem geclaimde aftrekposten, bestaat er in de privésfeer geen bewaarplicht, zoals deze voor ondernemers geldt. De A-G meent dat na het verstrijken van de navorderingstermijn over het jaar waarin de verbetering of het onderhoud van de eigen woning heeft plaatsgevonden, het recht om bewijs te vragen vervalt. Het hof heeft zich bij dit standpunt aangesloten. Omdat navordering over 2007 niet meer mogelijk was in 2013, mocht de inspecteur niet vragen naar bewijsstukken die betrekking hadden op zaken die in dat jaar hebben plaatsgevonden.

Niet alle bezwaarschriften vermogensrendementheffing vallen onder massaal bezwaar

De staatssecretaris van Financiën heeft bezwaarschriften tegen de vermogensrendementheffing in de aanslag inkomstenbelasting 2017 aangemerkt als massaal bezwaar. Dat geldt slechts voor zover het gaat om de vraag of de belastingheffing in box 3 op regelniveau een inbreuk vormt op het recht op het ongestoorde bezit van eigendom. Veel bezwaarmakers hebben daarnaast in hun bezwaarschrift aangegeven dat de heffing in box 3 voor hen een individuele buitensporige last vormt. Dat heeft gevolgen voor de behandeling van het bezwaar, aangezien dat laatste punt niet onder de aanwijzing massaal bezwaar valt en daar ook niet onder kan vallen omdat het om een individuele klacht gaat. Op dit punt zullen de bezwaarschriften dus individueel worden afgedaan en zal de betrokkene desgewenst zelf een procedure bij de rechtbank moeten voeren.

De staatssecretaris heeft nu gezegd dat aan iedere belastingplichtige, die zich in het bezwaarschrift heeft beroepen op een individuele buitensporige last, een brief zal worden gestuurd waarin wordt meegedeeld dat de behandeling van het bezwaar wordt gesplitst en deels individueel wordt behandeld. Ook op de website van de Belastingdienst wordt een toelichting op de behandeling van de bezwaarschriften geplaatst.

Bepaling hoofdverblijf

De rentelasten van een eigen woning zijn fiscaal aftrekbaar. Om als eigen woning voor de inkomstenbelasting te kwalificeren moet een woning aan de eigenaar en zijn gezin duurzaam als hoofdverblijf ter beschikking staan. Iemand kan in fiscale zin slechts één hoofdverblijf hebben. De plaats waar iemand woont, wordt aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald.

Een echtpaar had de beschikking over een huurwoning in de omgeving van hun werk en een koopwoning. Het echtpaar stond ingeschreven op het adres van de huurwoning. Permanente bewoning van de koopwoning was niet toegestaan. Het echtpaar wilde de koopwoning als eigen woning aanmerken. De belastingdienst accepteerde dat niet. Het echtpaar moest vervolgens aannemelijk maken dat de koopwoning hun als hoofdverblijf ter beschikking stond. Dat kwam erop neer dat aannemelijk moest worden gemaakt dat de koopwoning de centrale levensplaats van het echtpaar was. De centrale levensplaats wordt aan de hand van de omstandigheden bepaald.

Het hof vond doorslaggevend dat het echtpaar in de weekenden, doorgaans van vrijdagmiddag tot zondagavond, maar regelmatig tot maandag- of dinsdagochtend, tijdens feestdagen, schoolvakanties en overige vrije dagen in de koopwoning verbleef en zij daar hun verjaardagen vierden en visite ontvingen. De omstandigheid dat het echtpaar vanwege hun werkzaamheden in de omgeving van de huurwoning een deel van hun consumptieve uitgaven deed, vond het hof van minder belang. De koopwoning gold als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001.