Geen dubbele heffing door eerdere teruggaaf

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

In de jaren tachtig kent de Belastingdienst ten onrechte twee btw-nummers toe aan een ondernemer. Eén voor zijn advieswerkzaamheden en één voor de verhuuractiviteiten van appartementencomplexen en winkelruimten die hij samen met zijn partner in eigendom heeft. Vanaf dat moment voert de ondernemer belastingbetalingen uit via beide nummers. Rond 2008 vraagt de ondernemer aan de Belastingdienst om dit onjuiste onderscheid tussen de btw-nummers te corrigeren. De Belastingdienst erkent de fout, maar voert de noodzakelijke wijziging niet door. Hierdoor blijft de situatie voortbestaan waarin beide btw-nummers in gebruik zijn.

In 2016 betaalt de ondernemer btw voor twee afzonderlijke tijdvakken via het btw-nummer van de verhuuractiviteiten. Jaren later concludeert de rechtbank in een andere procedure dat deze betalingen ten onrechte op dit nummer zijn voldaan. De Belastingdienst geeft daarop de eerder betaalde btw terug. Om dit recht te zetten, legt de Belastingdienst vervolgens naheffingsaanslagen op op het btw-nummer van de advieswerkzaamheden. De ondernemer tekent bezwaar aan. Hij is van mening dat hij niet dubbel mag worden belast.

In hoger beroep verwerpt het hof dit standpunt van de ondernemer. De bevoegdheid tot naheffing heeft ten doel onjuistheden in de heffing te corrigeren, ongeacht hoe die onjuistheid is ontstaan. De belasting was eerder ten onrechte via het btw-nummer van de verhuuractiviteiten voldaan. De teruggaaf van deze belasting, gevolgd door naheffingen op het btw-nummer van advieswerkzaamheden, beschouwt het hof als noodzakelijke correcties om een juiste belastingheffing te realiseren. Dat ooit ten onrechte twee btw-nummers werden toegekend, doet daar niet aan af.

Verzendtheorie niet van toepassing op ambtshalve vermindering

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Een man krijgt in 2018 een aanslag IB opgelegd over het jaar 2016. Pas aan het einde van 2021 laat hij een bezwaarschrift opstellen. In deze brief, gedateerd op 31 december 2021, vraagt hij om uitstel voor het motiveren van zijn bezwaar. Volgens hem wordt deze brief op 30 december 2021 ter post bezorgd. De Belastingdienst ontvangt de brief echter pas op 6 januari 2022. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. De wettelijke termijn voor het indienen van bezwaar is inmiddels verstreken. Wel neemt de inspecteur de brief in behandeling als een verzoek om ambtshalve vermindering, maar ook dit verzoek wordt afgewezen. Het verzoek bereikt de Belastingdienst immers pas na de maximale vijfjaarstermijn, die op 31 december 2021 is verlopen. 

Gemitigeerde verzendtheorie

De man gaat vervolgens in (hoger) beroep. Hij meent dat de verzending binnen de grenzen van de zogenoemde ‘gemitigeerde verzendtheorie’ valt. Volgens deze theorie is een poststuk tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd en het uiterlijk een week na afloop van de termijn wordt ontvangen. Het hof concludeert dat het bezwaar en het verzoek om ambtshalve vermindering inderdaad te laat zijn ingediend. De gemitigeerde verzendtheorie is niet van toepassing, omdat deze in de wet specifiek wordt geregeld voor bezwaar- en beroepschriften en dus niet voor een verzoek om ambtshalve vermindering. De termijnoverschrijding is volgens het hof ook niet verschoonbaar. De man voert aan dat de drukte rond de feestdagen een rol speelde bij de late ontvangst van zijn brief, maar geeft geen overtuigend bewijs dat hij de brief op 30 of 31 december ter post heeft bezorgd.

Rente op familiehypotheek te hoog

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Een man en zijn echtgenote besluiten een woning te kopen, zonder dat zij een financieringsvoorbehoud maken. Omdat zij extra financiering nodig hebben voor de nieuwe woning, sluit de man samen met zijn echtgenote later in het jaar een leningsovereenkomst met zijn schoonvader. Het geleende bedrag zal worden gebruikt voor de aankoop en verbouwing van hun nieuw aangekochte woning. In de overeenkomst wordt een rente van 7,3% afgesproken. 

De man claimt in zijn belastingaangifte de rente en afsluitprovisie die hij op de lening heeft betaald. De Belastingdienst staat echter niet de volledige renteaftrek toe. In plaats daarvan beperkt de inspecteur de renteaftrek tot een veel lager percentage van 2,75, omdat de overeengekomen rente onzakelijk hoog zou zijn. Hiertegen gaat de man in (hoger) beroep.

Het hof oordeelt dat de inspecteur de renteaftrek terecht heeft beperkt. De man slaagt er niet in om voldoende aannemelijk te maken dat een niet-verbonden derde onder dezelfde omstandigheden een rente van 7,3% zou hebben gerekend. Vergelijkbare reguliere bancaire hypotheken hebben een rente van 2,15%. Hierop is door de inspecteur nog een opslag van 0,6 procentpunt toegepast vanwege het ontbreken van hypothecaire zekerheid. Het beroep van de man wordt ongegrond verklaard, waarmee zijn aftrek definitief blijft gemaximeerd op een rentepercentage van 2,75. 

Herstel stamrecht door verrekening met managementfee niet mogelijk

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Een ondernemer die zijn stamrechtuitkering niet op tijd laat ingaan, kan dit niet herstellen door achteraf zijn managementvergoeding te verlagen. De rechtbank wijst de door hem voorgestelde constructie af, waarbij de managementvergoeding van zijn holding wordt verrekend met een stamrechtuitkering van zijn pensioenvennootschap. De navorderingsaanslagen over 2018 en 2019 blijven in stand.

Stamrecht gaat niet op tijd in

De 70-jarige eiser is aandeelhouder en bestuurder van twee vennootschappen: Holding BV en Pensioen BV. In 1997 brengt hij een stamrecht onder bij Pensioen BV. Gedurende 2018 en 2019 verricht hij werkzaamheden voor Holding BV en ontvangt daarvoor een managementvergoeding. Hij geeft alleen dit inkomen aan in zijn belastingaangifte. Het probleem ontstaat omdat het stamrecht in 2017 in had moeten gaan, het jaar waarin de ondernemer de AOW-leeftijd bereikt. Dit gebeurt echter niet, waardoor niet wordt voldaan aan de fiscale voorwaarden. De Belastingdienst ontdekt dit in 2021 en stelt eiser voor de keuze: ofwel een heffing ineens over de hele stamrechtaanspraak van € 414.778 plus € 82.955 revisierente in 2017, ofwel herstel door jaarlijkse navorderingen voor stamrechtuitkeringen van € 22.894 vanaf 2017.

Voorgestelde oplossing

Eiser kiest voor de tweede optie, maar stelt een eigen herstelmethode voor. Hij wil € 22.894 per jaar als te veel ontvangen managementvergoeding terugbetalen aan Holding BV. Holding BV zou dit bedrag vervolgens uitlenen aan Pensioen BV, waarna Pensioen BV het bedrag als stamrechtuitkering uitkeert aan eiser. Op deze manier blijft volgens hem het totale inkomen gelijk en ontstaat er geen extra belastingdruk. De Belastingdienst wijst dit voorstel af en legt navorderingsaanslagen op voor 2018 en 2019, waarbij het belastbaar inkomen wordt verhoogd met de stamrechtuitkeringen.

Rechtbank wijst constructie af

De rechtbank oordeelt dat de voorgestelde herstelmethode niet mogelijk is. Het voorstel vindt geen steun in de feiten, noch in de wet. Eiser wil met terugwerkende kracht de managementvergoeding verlagen, maar daar bestaat geen aanleiding voor, omdat niet is gebleken dat deze te hoog was. Cruciaal is dat de managementvergoeding van Holding BV losstaat van de stamrechtuitkering die eiser van Pensioen BV had moeten ontvangen. Het gaat om verschillende vennootschappen en verschillende titels van betaling. Rechten en plichten van verschillende rechtspersonen kunnen niet willekeurig worden uitgewisseld. De rechtbank benadrukt dat de Belastingdienst eiser al meerdere keren heeft uitgelegd dat optie 2 niet zonder navorderingen inkomstenbelasting kan.

Stijging prijzen woning in relatie met inflatie

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De huizenprijzen stijgen al maandenlang met zo’n 10 procent. En volgens de prijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de piek van juli 2022 al ruimschoots overstegen. Maar is dat nog zo als je de huizenprijzen corrigeert voor inflatie? Ofwel, wat is de reële waarde van woningen?

In mei zijn de huizenprijzen met 9,7 procent gestegen ten opzichte van dezelfde maand vorig jaar, meldde het CBS. Daarvoor stegen de huizenprijzen tien maanden op rij met (meer dan) 10 procent op jaarbasis. De gemiddelde verkoopprijs kwam in mei uit op 472.000 euro, zo’n 26.000 euro hoger dan in mei vorig jaar.

Het CBS houdt de ontwikkeling van de huizenprijzen bij in de prijsindex bestaande koopwoningen. Daarin bereikten de prijzen van bestaande koopwoningen in juli 2022 een piek, om daarna enige tijd te dalen. Sinds juni 2023 is de trend weer stijgend. Afgelopen mei lagen de prijzen gemiddeld 11,7 procent hoger dan in de piek in juli 2022.

Is dat ook het geval als je rekening houdt met inflatie. Inflatie betekent dat prijzen stijgen, waardoor je minder kan kopen. Je geld is dus minder waard. Door inflatie is je koopwoning minder waard dan het lijkt. In Nederland kwam de inflatie in mei uit 3,3 procent, dat is relatief hoog. Gestreefd wordt naar 2 procent. De inflatie in de eurozone ligt al rond de 2 procent.

Als je de reële waarde (met rekening houdend inflatiebedrag) vanaf 2020 afzet tegen de nominale waarde zal je zien dat de nominale huizenprijs in mei 2025 ruimschoots boven de piek van juli 2022 uitkomt.

Terwijl de reële huizenprijs nog iets onder de piek van juli 2022 ligt. Het verschil wordt wel kleiner wordt, omdat momenteel de huizenprijzen sneller stijgen dan de inflatie. Verwacht wordt dat ook de reële huizenprijs binnenkort opnieuw piekt.

Hoewel de hoge inflatie misschien slecht nieuws is voor je portemonnee, is het goed nieuws voor je hypotheek. Het voordeel is het beste te schetsen met een aflossingsvrije hypotheek, waarbij de maandlasten alleen bestaan uit rente en je gedurende de looptijd niets aflost.

Sloot je begin 2020 een aflossingsvrije hypotheek af van 400.000 euro, dan is dat bedrag in mei 2025 nog steeds hetzelfde. Maar door inflatie voelt het bedrag minder zwaar, omdat je inkomen meesteeg met de inflatie en de rente van de hypotheek hetzelfde is gebleven. In euro’s van 2020 is de hypotheekschuld in reële waarde geslonken naar 316.328 euro. Daardoor geef je een kleiner deel van je inkomen uit aan maandlasten.

Ook kan het zijn dat door de waardestijging van de woning de waarde van de woning hoger is dan afgesproken waarde tariefklasse in de hypotheekovereenkomst. Hierdoor is de kans dat er minder rente betaald hoeft te worden over het hypotheekbedrag. Neem hiervoor contact op met je hypotheekverstrekker.

MBO-instelling moet dubbele berekening toepassen voor voorbelasting

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Een MBO-instelling krijgt ongelijk van de rechtbank in haar poging om meer voorbelasting terug te krijgen. De instelling moet haar recht op aftrek van voorbelasting over gemengde kosten berekenen met zowel een pre-pro rata berekening als een pro rata berekening. De rechtbank oordeelt dat niet alle onderwijsactiviteiten economische activiteiten zijn, waardoor de complexere berekeningsmethode moet worden toegepast. Van de gevraagde € 278.934 extra vooraftrek krijgt de instelling slechts € 17.735.

Onderwijs

De MBO-instelling geeft onderwijs dat hoofdzakelijk wordt gefinancierd met de rijksbijdrage van het ministerie. Leerlingen jonger dan 18 jaar betalen geen bijdrage voor hun opleiding. Leerlingen van 18 jaar en ouder die voltijds studeren (BOL) betalen lesgeld aan DUO, terwijl leerlingen die deeltijd studeren (BBL) cursusgeld betalen aan de instelling zelf. De instelling maakt kosten die zowel betrekking hebben op belaste als vrijgestelde activiteiten. Voor de aftrek van voorbelasting over deze gemengde kosten moet worden bepaald welk deel van de activiteiten economisch van aard is. Dit bepaalt namelijk hoeveel voorbelasting kan worden afgetrokken.

Economische activiteit

De MBO-instelling stelt dat al het onderwijs dat zij verricht als economische activiteit gekwalificeerd kan worden en dat zij daarom geen pre-pro rata berekening hoeft toe te passen. Zij wil het recht op aftrek van voorbelasting uitsluitend berekenen op basis van de gewone pro rata methode. Subsidiair beroept zij zich op schending van het neutraliteits- en evenredigheidsbeginsel. De Belastingdienst houdt vol dat een deel van de onderwijsactiviteiten niet-economisch van aard is, waardoor eerst een pre-pro rata berekening moet worden gemaakt om het economische deel te scheiden van het niet-economische deel, waarna pas de pro rata berekening kan worden toegepast.

Onderscheid

De rechtbank oordeelt dat verschillende onderwijsactiviteiten verschillend moeten worden behandeld. Het onderwijs aan leerlingen onder 18 jaar wordt niet onder bezwarende titel verricht, omdat de instelling hiervoor geen vergoeding ontvangt. Dit is daarom geen economische activiteit. Ook het BOL-onderwijs (voltijd voor 18-plussers) is geen economische activiteit. Hoewel deze leerlingen lesgeld betalen, betalen zij dit aan DUO en niet aan de instelling. Er bestaat geen rechtstreeks verband tussen de dienst en de tegenprestatie. Het feit dat het aantal inschrijvingen invloed heeft op de rijksbijdrage maakt dit niet anders. Alleen het BBL-onderwijs (deeltijd) is een economische activiteit, omdat leerlingen hiervoor rechtstreeks cursusgeld aan de instelling betalen.

Dubbele berekening terecht toegepast

Omdat de instelling zowel economische als niet-economische activiteiten verricht die niet wederzijds afhankelijk zijn van elkaar, moet zij eerst berekenen hoeveel kosten toerekenbaar zijn aan economische activiteiten (pre-pro rata berekening). Vervolgens moet zij voor de economische activiteiten berekenen hoeveel voorbelasting aftrekbaar is over belaste versus vrijgestelde prestaties (pro rata berekening).
De rechtbank ziet geen schending van het neutraliteits- of evenredigheidsbeginsel. De berekende teruggaaf staat in een zo nauwkeurig mogelijk berekende verhouding tot de belaste activiteiten, wat juist in overeenstemming is met het neutraliteitsbeginsel.

Uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken alleen in uitzonderlijke gevallen

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Mag bewijsmateriaal dat door de politie is verzameld worden gebruikt voor belastingheffing, ondanks mogelijke onrechtmatigheden bij de verkrijging ervan? De Hoge Raad buigt zich over deze vraag en de vraag of het 'zozeer indruist'-criterium, dat uitsluiting van bewijs in uitzonderlijke gevallen toestaat, hier van toepassing is.

Tijdens een politiecontrole bij een gehuurde bakwagen ontstaat argwaan. De man die bij het voertuig staat, beweert dat de laadruimte leeg is, maar oogt zenuwachtig. Na herhaaldelijk aandringen opent hij de bakwagen. De laadruimte blijkt vol te staan met dozen. De politie besluit de inhoud te controleren en vindt een enorme hoeveelheid pakjes sigaretten van het merk Marlboro zonder accijnszegels. Ze houden de man aan op verdenking van het overtreden van de accijnswetgeving. De Belastingdienst legt de man een forse naheffingsaanslag op, samen met belastingrente. 

De man maakt bezwaar, maar zonder succes. In beroep oordeelt de rechtbank dat de naheffing terecht is. Vervolgens gaat de man in hoger beroep. Het hof beslist dat het bewijsmateriaal, de aangetroffen sigaretten, onrechtmatig is verkregen. Volgens het hof heeft de politie onbevoegd gehandeld toen ze de dozen opende. Hierdoor wordt het bewijs uitgesloten en vervalt de grondslag voor de naheffing. 

In cassatie is de vraag of het onrechtmatig verkregen bewijs tóch mag worden gebruikt voor de belastingheffing. De procureur-generaal concludeert dat dit wel mogelijk is. Immers, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt bewijs in belastingzaken uitgesloten. Het handelen van de politie, hoewel onjuist, voldoet niet aan de zware eisen van het 'zozeer indruist'-criterium. Daardoor kan de naheffingsaanslag voor de accijns worden gehandhaafd.

Autoritten naar fitness zijn niet zakelijk

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Regelmatig ontstaat er discussie met de Belastingdienst over de vraag of ritten met een auto van de zaak als zakelijk of privé moeten worden gekwalificeerd. Soms moet de rechter eraan te pas komen om duidelijkheid te verschaffen. In een recente uitspraak stond de vraag centraal of ritten naar fitnesssessies door een werknemer, die een verklaring geen privégebruik auto had afgegeven, als zakelijk mochten worden beschouwd.

De werknemer voert aan dat fitness voor hem noodzakelijk is om zijn werkzaamheden te kunnen blijven verrichten, gezien zijn rugklachten na een skiongeluk. Daarnaast wijst hij erop dat zijn personal trainer tevens klant is, en dat zij tijdens de sessies zakelijke onderwerpen bespreken. Om zijn standpunt te staven, overlegt hij een verklaring van de trainer en een factuur. Ook benadrukt hij dat bedrijfsfitness fiscaal wordt gestimuleerd, wat volgens hem wijst op een zakelijk belang.

Het gerechtshof verwerpt deze argumenten. Het hof stelt dat het privé-element van de ritten overheerst. De fitnesssessies dragen vooral bij aan het algemene fysieke welzijn van de werknemer, wat primair een privékwestie is. Zelfs als sprake zou zijn van een gemengd zakelijk en privékarakter, oordeelt het hof dat deze ritten ook door iemand zonder dienstbetrekking gemaakt zouden worden. Daarmee kwalificeren de autoritten niet als zakelijk. De overgelegde stukken achten de rechters bovendien onvoldoende overtuigend. De verklaring lijkt door de werknemer zelf te zijn opgesteld en de factuur is van een periode die niet relevant is voor het fiscale jaar in kwestie.
 

Bijtelling auto van de zaak tijdens de zomervakantie: waar moet u op letten?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De zomervakantie is een periode waarin het gebruik van de auto van de zaak kan afwijken van de rest van het jaar. Dit kan gevolgen hebben voor de bijtelling. In dit artikel zetten we vier veelvoorkomende situaties op een rij en leggen we uit wat dit betekent voor de bijtelling.

1. Tijdelijk een andere auto rijden

Gebruikt een werknemer tijdens de vakantie een andere auto van de zaak dan normaal, bijvoorbeeld een grotere gezinsauto of een benzine auto in plaats van elektrische auto die een caravan kan trekken? Dan kunnen zich twee situaties voordoen:

  1. Werknemer levert eigen auto in en rijdt tijdens vakantie in andere auto. Gedurende het jaar heeft werknemer nu 2 auto’s ter beschikking waarbij meer dan 500 km per jaar wordt gereden. De auto die normaal gebruikt wordt staat in de vakantie niet ter beschikking en de tijdelijke auto wordt in vakantie gebruikt. In dit geval is er tijdens de vakantie alleen bijtelling van de tijdelijke auto. Op jaarbasis is er bijtelling van eigen auto gedurende 49 weken en bijtelling over de tijdelijke auto gedurende 3 weken (uitgaande van 3 weken zomervakantie).
  2. Werknemer krijgt een andere auto tijdens de vakantie. Werknemer behoudt eigen auto tijdens vakantie en hoeft deze niet in te leveren. Dan geldt voor deze tijdelijke auto een aparte beoordeling. Wordt er met deze auto meer dan 500 kilometer privé gereden op jaarbasis, dan is bijtelling van toepassing voor deze specifieke auto. De bijtelling wordt per auto beoordeeld, niet per werknemer. Let op 500 km op jaarbasis. Als werknemer de auto drie weken heeft dan mag hij maar 29 km (500 op jaarbasis / 52 weken x 3 weken) privé rijden.

2. Door vakantie boven de 500 kilometer privégebruik

Een werknemer die normaal onder de grens van 500 kilometer privégebruik blijft, kan tijdens de vakantie ongemerkt over deze grens heen gaan. In dat geval geldt alsnog bijtelling voor het hele kalenderjaar. Er is geen verrekening naar rato: de grens is absoluut. Een sluitende rittenregistratie is essentieel om dit te voorkomen. Als in augustus blijkt dat werknemer meer dan 500 km privé heeft gereden dan zal de bijtelling vanaf 1 januari van het huidige jaar toegepast moeten worden. Dit geldt natuurlijk ook als in december blijkt dat de werknemer toch meer dan 500 km rijdt.

3. Geen beschikking over de auto tijdens vakantie

Is de auto tijdens de vakantieperiode niet beschikbaar voor de werknemer, bijvoorbeeld omdat deze is ingeleverd of geblokkeerd voor privégebruik? Dan kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. In sommige gevallen kan de bijtelling vervallen, mits dit goed is vastgelegd en aantoonbaar is dat de werknemer geen gebruik kon maken van de auto. Als werknemer de auto thuis laat staan en hoeft de sleutels niet in te leveren zal de belastingdienst dit waarschijnlijk niet accepteren. Moet werknemer de auto op de zaak stallen en de sleutels blijven op de zaak dan zal de belastingdienst dit sneller accepteren dat er geen bijtelling is.

4.Tijdelijk een auto rijden in de vakantie

Krijgt een werknemer alleen tijdens de vakantieperiode een auto ter beschikking (bv doordat collega een auto inlevert tijdens de vakantie) en werknemer rijdt meer dan 500 km op jaarbasis dan geldt voor de periode dat werknemer de auto ter beschikking heeft gekregen een bijtelling. Dus stel dat werknemer drie weken een auto ter beschikking krijgt en werknemer rijdt in die periode meer dan 29 km (500 op jaarbasis / 52 weken x 3 weken) dan heeft deze werknemer gedurende drie weken een bijtelling.


Tot slot

Wilt u als werkgever of werknemer zeker weten hoe u met bijtelling moet omgaan tijdens de vakantieperiode? Neem dan contact op met uw adviseur bij LDE Accountants. Wij denken graag met u mee.

Box 3-brieven verstuurd met verkeerde bedragen

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Belastingdienst heeft 33.000 box 3-brieven verstuurd met verkeerde bedragen. Deze brief heeft als onderwerp 'U mag uw werkelijk rendement aan ons doorgeven'. Het zijn de brieven met kenmerk CAP/UCF/25/322. Deze zijn naar verwachting op 16 of 17 juli 2025 bezorgd. In deze brief kan de Belastingdienst één of meer verkeerde bedragen hebben gebruikt bij het (gezamenlijk) fictief rendement. Dat is het geval als er voor één van de jaren een verminderingsbeschikking of navorderingsaanslag voor het box 3-inkomen is opgelegd.

De verzending rond 24 juli 2025 met kenmerk CAP/UCF/25/323 kan dezelfde foutieve bedragen bevatten. De Belastingdienst heeft deze verzending niet tegen kunnen houden. 

Nieuwe brief

De Belastingdienst gaat rond 1 augustus 2025 nieuwe brieven versturen met de juiste bedragen voor de jaren waarin fouten stonden. Ook verlengt de Belastingdienst de termijn om het formulier Opgaaf werkelijk rendement in te sturen. De aangepaste datum staat in de nieuwe brief.

Alvast invullen

Het is nog steeds mogelijk om het formulier Opgaaf werkelijk rendement alvast in te vullen. Gebruik dan tijdelijk de gegevens uit de ontvangen brief, maar verstuur het formulier nog niet. Vul na ontvangst van de nieuwe brief de juiste bedragen in en verstuur het formulier alsnog.