Kabinetsvoorstel voor een hoger btw-tarief krijgt brede weerstand

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De discussie over belastingverhoging ontstond nadat de Tweede Kamer in november verhinderde dat het lage btw-tarief op sport, cultuur en boeken werd verhoogd. Hierdoor moest het kabinet alternatieve manieren vinden om extra belastinginkomsten te genereren. De voorgestelde verhoging van het hoge btw-tarief zou naar verwachting circa 1,3 miljard euro opleveren, maar stuit op weerstand omdat dit de koopkracht kan aantasten en de inflatie tijdelijk kan aanwakkeren.

Het kabinet werkt aan een voorstel dat volgende week aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. Er lijkt weinig politieke draagvlak voor belastingverhogingen, maar moet er een keuze worden gemaakt: een beperkte stijging over meerdere sectoren of een aanzienlijke verhoging op specifieke producten en diensten.

Een alternatief dat is overwogen, is de invoering van één uniform btw-tarief van circa 17 à 18 procent, waarmee de huidige tarieven van 0, 9 en 21 procent zouden verdwijnen. Dit zou het belastingstelsel vereenvoudigen en inconsistenties, zoals het verschil in btw op condooms (9%) en glijmiddel (21%), wegnemen. Het kabinet acht deze optie echter niet haalbaar, omdat het gezonde producten zoals groente en fruit duurder zou maken.

Het kabinet neigt naar een bescheiden verhoging van het hoge btw-tarief als meest voor de hand liggende optie. Staatssecretaris Van Oostenbruggen zal aankomende week een keuzemenu met verschillende scenario’s aan de Tweede Kamer voorleggen.

Standpunt Belastingdienst keuzeherziening en herinvesteringsaftrek

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Op het forum van fiscaal dienstverleners werd onlangs een peiling gehouden met betrekking tot de keuzeherziening en de herinvesteringsaftrek. Wat speelt er?

Peiling onder fiscaal adviseurs

In een peiling werden door de Belastingdienst aan fiscaal dienstverleners twee stellingen voorgelegd.

Stelling 1. 
Een startende ondernemer koopt een tweedehands auto van twaalf jaar oud. Deze auto behoort volgens de regels van de vermogensetikettering tot het keuzevermogen. De ondernemer kiest ervoor om de auto te etiketteren tot zijn privévermogen. Op het moment dat de auto 15 jaar oud is, mag de ondernemer de keuze herzien, omdat er dan andere regels gelden voor het berekenen van de bijtelling met betrekking tot de auto. Is deze stelling juist?

Stelling 2. 
Naast de auto heeft de ondernemer ook een nieuwe aanhangwagen gekocht voor € 4.000. Hierop heeft de startende ondernemer willekeurig afgeschreven tot een boekwaarde van € 1.000. Na drie jaar wordt de aanhangwagen ingeruild voor een grotere aanhangwagen. Hij krijgt € 2.000 terug voor de aanhangwagen. Hij kan gebruikmaken van de herinvesteringsreserve van € 1.000. Is deze stelling juist?

Slechts 23% had juiste antwoorden

Slechts 23% van de fiscaal dienstverleners koos het juiste antwoord (beide stellingen zijn onjuist):

  • beide stellingen zijn juist (12%);
  • alleen stelling 1 is juist (2%);
  • alleen stelling 2 is juist (62%);
  • beide stellingen zijn onjuist (23%).

Toelichting stelling 1. 
Bij keuzevermogen geldt in beginsel: eens gekozen, blijft gekozen. U kunt op uw keuze terugkomen, zolang de fiscale gevolgen nog niet onherroepelijk zijn. Meestal blijkt de keuze uit de aangifte inkomstenbelasting over het jaar waarin u start met uw onderneming of over het jaar waarin u het bedrijfsmiddel voor het eerst in gebruik neemt. Zolang de aanslag inkomstenbelasting nog niet onherroepelijk vaststaat, kunt u terugkomen op uw keuze. Een aanslag staat onherroepelijk vast indien de termijn voor bezwaar, beroep en cassatie is verstreken. Deze termijn verstrijkt zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag.

Aanslag staat wel vast. 
Indien de definitieve aanslag over het jaar van aanschaf onherroepelijk vaststaat, kunt u alleen onder bijzondere omstandigheden op uw keuze terugkomen. Dit is bijv. het geval als:

  • er een wetswijziging is doorgevoerd die de fiscale behandeling van een vermogensbestanddeel zodanig verandert dat u, indien deze wetgeving al van kracht was geweest, een andere keuze zou hebben gemaakt;
  • het gebruik van het vermogensbestanddeel ingrijpend verandert, bijv. een bedrijfsmiddel dat u eerst voor 90% of meer zakelijk heeft gebruik, gebruikt u nu voor 90% of meer privé. In dit geval is er sprake van verplichte her etikettering van het bedrijfsmiddel;
  • de Hoge Raad eerdere rechtspraak wijzigt door terug te komen op een eerdere uitspraak, ook wel bekend als het omgaan van de Hoge Raad.

Toelichting stelling 2. 
Ook deze stelling is onjuist. Zodra er op het vervreemde bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven, moet u om de hoogte van de herinvesteringsreserve te bepalen, uitgaan van de boekwaarde zoals deze zou zijn zonder de toepassing van de willekeurige afschrijving. Het verschil tussen de boekwaarde de willekeurige afschrijving en de boekwaarde met willekeurige afschrijving moet dan in het jaar van vervreemding aan de winst worden toegevoegd.

Bij keuzevermogen geldt in beginsel: eens gekozen, blijft gekozen. U kunt op uw keuze terugkomen zolang de fiscale gevolgen nog niet onherroepelijk zijn, dus de definitieve aanslag nog niet vaststaat. Bewaak de termijnen die hiervoor gelden.

Willekeurig afschrijven bij toetreden onderneming?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

U kunt als startende ondernemer, onder voorwaarden, willekeurig afschrijven over bedrijfsmiddelen die u in de startfase heeft aangekocht. Dit kan ook als u toetreedt tot een onderneming. Hoe zit dit precies?

Afschrijven. Op het moment dat u een bedrijfsmiddel koopt, mag u niet alle kosten in één keer in het jaar van aanschaf in aftrek brengen. U moet over het bedrijfsmiddel afschrijven. Veelal schrijft u gedurende de gebruiksduur jaarlijks een vast percentage af van het verschil tussen de aanschafkosten en de restwaarde.

Startende ondernemers

Bent u een startende ondernemer voor de inkomstenbelasting, dan mag u afwijken van deze afschrijvingsmethode. U wordt als startende ondernemer aangemerkt als u recht heeft op de startersaftrek. Hier heeft u recht op als:

  • u recht heeft op de zelfstandigenaftrek;
  • u in de afgelopen vijf jaar niet elk jaar ondernemer voor de inkomstenbelasting was;
  • u de zelfstandigenaftrek in de afgelopen vijf jaar maximaal twee keer heeft gebruikt;
  • er in het kalenderjaar of in een van de vijf voorafgaande jaren geen sprake was van een geruisloze terugkeer uit een BV.

Willkeurige afschrijving. Voldoet u aan de voorwaarden, dan kunt u gebruikmaken van de Willekeurige afschrijving startende ondernemers (WASO). Kort gezegd komt deze regeling erop neer dat u zelf beslist hoe snel u afschrijft over uw investering. Er geldt hierbij geen minimum en dit betekent dat u er ook voor kunt kiezen om minder af te schrijven dan de reguliere afschrijving. Let op.  De WASO geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Regels. Indien u in aanmerking komt voor de WASO, gelden er nog wel de volgende regels voor u. Zo mag u allereerst alleen de WASO toepassen op bedrijfsmiddelen die u kocht in de jaren dat u startersaftrek kon krijgen of in het jaar ervoor. Daarnaast kunt u niet willekeurig afschrijven over bedrijfsmiddelen die niet in aanmerking komen voor de investeringsaftrek.

Maximumbedrag. De investeringen die in aanmerking komen voor de WASO, zijn gebonden aan een maximumbedrag per kalenderjaar. Dit maximumbedrag is gelijk aan het maximumbedrag voor de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (in 2024: € 387.580). Heeft u voor een hoger bedrag geïnvesteerd dan het maximum, dan mag u zelf kiezen op welke bedrijfsmiddelen u willekeurig gaat afschrijven.

Toetreding samenwerkingsverband

U kunt ook als starter worden aangemerkt als u toetreedt tot een bestaande onderneming. Hierbij wordt u veelal gerechtigd tot (een deel van) de reeds aanwezige bedrijfsmiddelen. Dan schrijft u ook af over deze bedrijfsmiddelen.

Geen verplichting aangegaan. Ten aanzien van deze bedrijfsmiddelen bent u echter geen verplichting aangegaan, oftewel u heeft deze bedrijfsmiddelen niet zelf gekocht. Let op.  Dit betekent dat u niet aan alle regels van de WASO voldoet en in beginsel de WASO niet kunt toepassen op deze bedrijfsmiddelen.

Goedkeuring. De staatssecretaris van Financiën heeft echter in het besluit van 7 december 2005 (CPP2005/1402M) reeds goedgekeurd dat een belastingplichtige die als startende ondernemer wordt aangemerkt bij de toetreding tot een onderneming, de WASO toch kan toepassen ook al is er geen sprake van het aangaan van een verplichting. Let op.  Om van deze goedkeuring gebruik te kunnen maken, moet u wel een verzoek bij de Belastingdienst indienen.

Wijzigingen kleineondernemersregeling (KOR) en introductie EU-KOR

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De KOR biedt een vrijstelling van omzetbelasting (btw) voor ondernemers met een jaarlijkse omzet onder €20.000. Deze regeling is beschikbaar voor alle rechtsvormen, maar geldt alleen voor de btw; voor andere belastingen zoals de inkomstenbelasting, blijft aangifte verplicht.

Wijzigingen per 1 januari 2025

Vanaf 2025 zijn de volgende wijzigingen van kracht:

  • De verplichte minimale deelnameperiode van drie jaar vervalt. Wilt u per 1 januari 2025 stoppen? Meld dit uiterlijk 3 december 2024 via Mijn Belastingdienst Zakelijk.
  • De registratiedrempel stijgt van €1.800 naar €2.200.
  • U kunt gebruikmaken van kleineondernemersregelingen in andere EU-landen. De Unie-omzetdrempel bedraagt €100.000.

Criteria

De KOR is een btw-vrijstelling gebaseerd op omzet. Als de jaarlijkse omzet exclusief btw onder de €20.000 blijft, kunt u gebruikmaken van de KOR. Zowel belaste als bepaalde btw-vrijgestelde omzetten tellen mee voor deze grens, zoals:

  • Levering en verhuur van onroerend goed
  • Financiële en verzekeringsdiensten

Andere btw-vrijgestelde omzetten, zoals medische en sportdiensten, worden niet meegerekend.

Deelnamevoorwaarden

Elke ondernemer, ongeacht rechtsvorm, kan kiezen voor de KOR. Bij deelname:

  • Berekent u geen btw op leveringen en mag u geen voorbelasting aftrekken.
  • Is beperkte administratie vereist; btw-aangifte is niet nodig.
  • Facturering is optioneel en zonder btw-vermelding; vermelding “Factuur vrijgesteld van OB o.g.v. artikel 25 Wet OB” volstaat.

Overwegingen voor de KOR

  • Particulieren en niet-btw-plichtige klanten: Wanneer uw klanten voornamelijk particulieren of organisaties zijn die geen btw kunnen aftrekken, verhoogt de KOR uw winstmarge bij dezelfde verkoopprijs als voorheen. Dit maakt de KOR aantrekkelijk.
  • Zakelijke klanten: Heeft u veel zakelijke klanten? Dan kunt u bij deelname aan de KOR geen btw aftrekken op uw inkopen en zakelijke kosten, waardoor uw inkoopkosten stijgen. Om dezelfde winstmarge te behouden, moet u uw verkoopprijs zonder btw verhogen, wat uw product voor zakelijke klanten minder aantrekkelijk kan maken.
  • Grote investeringen: Plant u een grote investering? Onder de KOR kunt u de betaalde btw niet terugvragen, wat de totale investeringskosten verhoogt.
  • Teruggevraagde btw op eerdere investeringen: Als u in de afgelopen vijf jaar btw op investeringen als voorheffing hebt afgetrokken, en dit aftrekbedrag was gemiddeld meer dan €500 per jaar, kan een btw-herziening vereist zijn. Het totaalbedrag moet dan worden terugbetaald. Voor onroerend goed geldt een periode van tien jaar.
  • Btw-belaste verhuur: Bij btw-belaste verhuur van een pand is de KOR niet toepasbaar

Stoppen met de KOR

De deelname eindigt als:

  • De omzetgrens van €20.000 wordt overschreden. U dient dan direct btw in rekening te brengen vanaf de eerste levering boven de grens en de normale btw-administratie te hervatten. Deelname aan de KOR is drie jaar niet mogelijk.
  • U zelf verzoekt om te stoppen, vanaf 2025 zonder minimale termijn. Meld dit uiterlijk een maand voor het einde van het kwartaal.

Twijfelt u of de KOR of EU-KOR een oplossing kan bieden aan uw onderneming neem dan contact op met uw contactpersoon.

Geen verlaagd forfait btw-correctie privégebruik auto bij lease

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat het verlaagde forfait correctie privégebruik auto btw bij het leasen van een auto niet geldt.


Btw correctie privégebruik auto Bij operational lease van een auto die door de holding ter beschikking is gesteld aan een DGA, moet de holding een btw-correctie voor privégebruik auto toepassen. In een zaak bij Rechtbank Noord-Nederland (ecli:nl:rbnne:2024:1086) hoeft de DGA geen vergoeding te betalen voor het gebruik van de auto. De holding past het lage forfait van 1,5% van de cataloguswaarde van de auto toe, gebaseerd op een goedkeuring van de staatssecretaris (staatscourant. 2020, 35053).

Leasen is niet hetzelfde als aanschaffen De Belastingdienst heeft vastgesteld dat de holding niet voldoet aan de voorwaarden voor het verlaagde forfait van 1,5% en staat alleen het forfait van 2,7% van de cataloguswaarde toe. De rechtbank volgt het standpunt van de Belastingdienst. Het verlaagde forfait van 1,5% is alleen van toepassing als de auto zonder btw-aftrek is aangeschaft. Dit betekent dat het leasen van een auto niet onder de goedkeuring voor het lage forfait valt.

Stelt een BV een geleasede personenauto ter beschikking aan haar DGA? Dan geldt het forfait van 2,7% van de catalogusprijs als correctie btw privégebruik.
Het leasen van een auto door een BV valt niet onder de goedkeuring uit het besluit volgens Rechtbank Noord-Nederland.

Wanneer ben je Zzp-er?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Belastingdienst gaat vanaf 2025 opnieuw controleren of iemand wel echt zzp’er is.

In 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (Wet DBA) ingevoerd om schijnzelfstandigheid te voorkomen. Maar in november van datzelfde jaar werd de handhaving gestaakt omdat opdrachtgevers terughoudend werden uit angst voor naheffingen en boetes. Ook was er veel onzekerheid in de markt. Met ingang van 2025 gaat de Belastingdienst opnieuw handhaven op de Wet DBA.

Voorwaarden voor Zzp-er

Je bent volgens de Belastingdienst een ondernemer als je ondernemersrisico’s loopt. Je investeert onder andere zelf in bedrijfsmiddelen en (online) reclame. En er is bijvoorbeeld de kans dat jouw opdrachtgevers je niet betalen.

Jíj bepaalt hoe je het werk uitvoert. Als jouw opdrachtgever exact voorschrijft hoe je je werk moet doen, kan dit wijzen op een dienstverband. Geeft de opdrachtgever aan wat het resultaat van de opdracht moet zijn? En jij bent alleen verantwoordelijk voor dat resultaat? Dan is dit een goede indicatie dat jij geen schijnzelfstandige bent.

Je moet zelf kunnen bepalen wanneer en waar je werkt. Als je werktijden en -plek worden bepaald door je opdrachtgever, kan dit tegen je werken. En zal je sneller worden aangemerkt als schijnzelfstandige.

Werk je met eigen materialen en middelen? Dit helpt om aan te tonen dat je echte zelfstandig bent. Gebruik zo min mogelijk materialen van de opdrachtgever en draag alleen werkkleding met je eigen bedrijfsnaam.

Je moet in de overeenkomst met je opdrachtgever opnemen dat jij iemand anders jou mag laten vervangen. De opdrachtgever mag je als zzp’er niet dwingen om het werk persoonlijk uit te voeren. Je moet de vrijheid hebben om een collega jouw werk te laten overnemen.

Financieel mag je niet afhankelijk zijn van een enkele opdrachtgever. Dit heeft een directe link met het eerdergenoemde ondernemersrisico. Als je eerder bij de opdrachtgever in dienst bent geweest, is er een grote kans dat dit als schijnzelfstandigheid wordt gezien.

LET OP: Bij veel zzp’ers leeft het idee dat je minimaal 3?opdrachtgevers moet hebben. Dat is blijven ‘hangen’ vanuit de oude VAR-verklaring (de voorloper van de Wet DBA), maar is niet correct. In de wet staat niets vermeld over een minimaal aantal opdrachtgevers. Als je meerdere opdrachtgevers hebt, sta je uiteraard wel sterker.

Als je hetzelfde werk doet als werknemers in loondienst dan is de kans groot dat jouw opdracht door de Belastingdienst als arbeidsovereenkomst wordt gezien. Je mag niet exact hetzelfde werk doen als de werknemers van je opdrachtgever.

Voor allerlei branches en beroepsgroepen zijn goedgekeurde modelovereenkomst op de website van de Belastingdienst te vinden. Als jij en je opdrachtgever hiermee werken (én jullie je er ook daadwerkelijk aan houden), is de kans op schijnzelfstandigheid klein.

Ga voor de modelovereenkomsten naar www.belastingdienst.nl en zoek op ‘algemene modelovereenkomsten’.

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/ondernemen/modelovereenkomsten-in-plaats-van-var/modelovereenkomst-zoeken/algemene-modelovereenkomsten-downloaden

LET OP: Het is ook mogelijk om een zelf opgestelde overeenkomst voor te leggen bij de Belastingdienst.

Voor opdrachtgevers is er een zéér uitgebreide vragenlijst (module) die duidelijk(er) maakt of er sprake is van een arbeidsrelatie, of dat het een opdracht is die door een zelfstandige kan worden uitgevoerd. Helaas is dit geen garantie. Achteraf kan de Belastingdienst altijd nog anders oordelen.

Je vindt deze module op: https://ondernemersplein.kvk.nl/webmodule-beoordeling-arbeidsrelatie/

Als je als zelfstandige deze module invult, krijg je een beter beeld waarop de toetsing plaatsvindt. Doorloop deze module en ga met jouw opdrachtgever in gesprek zodat je jouw opdrachten als ondernemer verder kan blijven uitvoeren. Zo zorg je ervoor dat je niet weer in dezelfde situatie als in 2016 terecht komen.

Handhaving Belastingdienst

De staatssecretaris heeft op 12 september 2024 aangegeven vooral te gaan handhaven in de zorg, het onderwijs, de kinderopvang en de bouw. Staatssecretaris Idsinga (Fiscaliteit en Belastingdienst) heet toegezegd dat de Belastingdienst niet op een ‘hysterische manier’ gaat controleren of iemand een echte zzp’er is.

Werkgevers hoeven niet bang te zijn dat de Belastingdienst direct boetes gaat uitdelen. Ook aan zzp’ers is toegezegd dat zij niet direct een boete zullen krijgen. Er geldt een overgangsperiode van 1 jaar. Werkgevers en zzp’ers moeten dan wel kunnen bewijzen dat zij maatregelen nemen tegen schijnzelfstandigheid. Eventuele correcties gaan alleen terug tot 1 januari 2025. Naheffing over de jaren daarvoor zal dus niet plaatsvinden.

Zie ook www.rijksoverheid.nl. Bestaande overeenkomsten worden niet verlengd maar kan je blijven gebruiken, zolang ze nog geldig zijn.

Eenmanszaak omzetten naar BV?

Kan het omzetten van de eenmanszaak naar BV kan helpen om sterker te staan richting de fiscus?

Met een BV kan dat in sommige situaties de kans verkleinen om aangemerkt te worden als schijnzelfstandige. Door de BV komt er meer structuur en een afstand tussen jou en je opdrachtgevers. De BV neemt formeel de opdracht aan en niet jij persoonlijk.

Deze oplossing biedt geen garantie. De Belastingdienst kijkt vooral naar de feitelijke werkomstandigheden. De juridische vorm van je bedrijf is slechts een onderdeel van de toetsing.

Overigens gelden bij een BV andere (belasting)regels en zijn de kosten vaak hoger. Kort gesteld: als je jaarlijkse winst lager is dan ruim €100.000 ga je er netto op achteruit als je werkt vanuit de BV-vorm. Om hiervoor goede afweging te maken, kun je het beste contact opnemen met onze fiscale afdeling.

De Nieuwe Wet Werk en Zekerheid: Wat dit voor jouw salaris- en loonadministratie betekent

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

In de zomer van 2024, bepaald in augustus en september heeft de invoering van de Nieuwe Wet Werk en Zekerheid (NWWS) de wereld van salaris- en loonadministratie op zijn kop gezet. Met de wet die op 1 september in werking is getreden, zien bedrijven zich geconfronteerd met belangrijke veranderingen die hun administratieve processen en hun medewerkers direct beïnvloeden.


De Nieuwe Wet Werk en Zekerheid is een uitgebreide hervorming, bedoeld om de werkzekerheid te verhogen, de transparantie te verbeteren en de administratieve lasten voor werkgevers te verlagen. De wet introduceert een reeks nieuwe regels en eisen die van invloed zijn op hoe bedrijven hun salaris- en loonadministratie beheren.


Een van de meest opvallende veranderingen is de vereiste voor bedrijven om meer transparantie te bieden over hun salarisstructuren en beloningssystemen. Werkgevers moeten nu duidelijk communiceren hoe salarissen worden berekend en welke factoren van invloed zijn op salarisverhogingen. Dit betekent dat bedrijven hun loonadministratie wellicht moeten herzien om ervoor te zorgen dat alle processen en communicatie voldoen aan deze nieuwe eisen.

Daarnaast vereist de NWWS dat collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) regelmatig worden herzien om te voldoen aan de nieuwe normen voor werkzekerheid en rechtvaardige beloning. Dit kan bedrijven dwingen hun cao’s en andere beloningssystemen aan te passen, wat gevolgen heeft voor hun loonadministratie.


Een andere ingrijpende verandering is de invoering van de ‘gelijke beloning’ regel. Deze regel verplicht werkgevers om ervoor te zorgen dat werknemers in vergelijkbare functies gelijk worden beloond, ongeacht geslacht, leeftijd of andere demografische kenmerken. Dit houdt in dat bedrijven hun loonadministratie moeten bijwerken om te voldoen aan deze regels en om discriminatie in beloning te voorkomen.


Verder krijgen werkgevers meer verantwoordelijkheid als het gaat om het verstrekken van gedetailleerdere salarisrapportages aan werknemers en autoriteiten. Dit verhoogt de administratieve last, maar zorgt ook voor een grotere nauwkeurigheid en transparantie in de salarisadministratie.

Voor bedrijven betekent de nieuwe wetgeving dat ze hun salaris- en loonadministratiesystemen moeten herzien om te voldoen aan de regelgeving. Hoewel dit extra kosten met zich mee kan brengen, biedt het ook de kans om de administratie te stroomlijnen en eventuele fouten of inconsistenties op te lossen. Het is cruciaal dat bedrijven hun personeel goed informeren over de wijzigingen om verwarring en juridische problemen te voorkomen.


Voor werknemers betekent de NWWS een stap richting meer transparantie en eerlijkheid in salaris- en beloningsstructuren. De nieuwe regels zorgen ervoor dat werknemers beter begrijpen hoe hun salaris wordt vastgesteld en dat zij eerlijk worden beloond voor hun werk. De gelijke beloning regel bevordert een eerlijker werkklimaat en draagt bij aan een cultuur van gelijkheid.


De invoering van de Nieuwe Wet Werk en Zekerheid brengt dus aanzienlijke veranderingen met zich mee voor de salaris- en loonadministratie. Voor bedrijven houdt dit in dat ze hun processen moeten aanpassen aan de nieuwe regelgeving, terwijl werknemers profiteren van een eerlijker en transparanter beloningssysteem. Het is belangrijk voor zowel werkgevers als werknemers om goed geïnformeerd te zijn over deze veranderingen en ervoor te zorgen dat de overgang naar de nieuwe normen soepel verloopt.


Blijf op de hoogte van verdere ontwikkelingen en begrijp goed hoe deze veranderingen jouw specifieke situatie kunnen beïnvloeden.

Auto van de zaak en bijtelling tijdens vakantie

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Tijdens de vakantieperiode kan een werkgever een ‘vakantieauto’ ter beschikking stellen aan haar werknemers. Of de werknemer kan er voor kiezen de auto van de zaak gedurende deze periode in te leveren.

De gevolgen van bijtelling hangen af van de situatie. Hieronder een drietal situaties:

Vervangend voertuig in de vakantieperiode

Als de werknemer een auto van de zaak heeft en tijdens de vakantieperiode een andere auto ter beschikking krijgt, dient er bijgeteld te worden als er in totaal meer dan 500 privékilometers in een kalenderjaar wordt gereden.

De bijtelling geldt voor beide auto’s gedurende de tijd dat deze aan de werknemer ter beschikking staan. Het privégebruik van elke auto wordt berekend naar verhouding van de periode waarin de auto’s beschikbaar waren

Alleen tijdens de vakantie beschikbaar

Indien de werkgever de werknemer enkel tijdens de vakantieperiode een auto ter beschikking stelt, dienen de gereden privékilometers geëxtrapoleerd te worden naar een heel kalenderjaar. Als dit aantal meer dan 500 kilometer bedraagt, moet de bijtelling naar rato worden berekend.

Sleutels inleveren tijdens de vakantie

Een werknemer rijdt meer dan 500 kilometer privé met de auto van de zaak. Tijdens een vakantieperiode van een maand levert hij de autosleutels in. Geldt dan nog steeds de bijtelling voor deze maand?

In dit geval moet je bepalen of de auto tijdens de vakantie nog steeds ter beschikking staat van de werknemer.

Zie ook de Handreiking privégebruik auto op Belastingdienst.nl of paragraaf 23.3 Reizen met een personenauto van de zaak in het Handboek Loonheffingen.

Zakelijke afspraken maken bij lenen van of aan de BV

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Menig dga heeft een rekening courantverhouding met zijn B.V., waarbij er kleine bedragen over en weer gaan. Bij grotere bedragen zal er meestal sprake zijn van een lening. Dat kan van belang zijn als het mis gaat met de BV. Hoe zit dat?

Rekening courant: Bij een rekening courantverhouding met uw BV worden er kleine bedragen over en weer voorgeschoten en daarna verrekend. Bij bedragen tot € 17.500 hoeft er daarbij van de Belastingdienst geen rente betaald te worden. Gaat het om grotere bedragen, dan moet er dus wel rente betaald worden, omdat daarmee ook het zakelijke karakter van de rekening-courantlening kan worden vastgesteld.

Geldlening: Het kan ook zijn dat er voor langere tijd een groter geldbedrag wordt uitgeleend aan de BV door de dga of omgekeerd. De bedoeling daarvan is dat het geleende bedrag binnen een bepaalde tijd wordt afgelost en dat er rente wordt betaald over het geleende geld. 
Let op: Als de geldlener niet verplicht is om af te lossen of geen rente hoeft te betalen over het geleende bedrag, kan de lening een onzakelijk karakter krijgen. Dat kan problemen geven als het misgaat met de BV.

Eisen aan de leningsovereenkomst

Vorm van kredietovereenkomst
Een lening is in juridische zin een kredietovereenkomst waarbij de gelduitlener zich verplicht een bepaald bedrag aan de geldlener te verstrekken, die zich op zijn beurt verplicht om dit bedrag terug te betalen. Over deze lening moet rente worden betaald. Als bij de lening niet is afgesproken hoe hoog de rente is, dan is deze gelijk aan de handelsrente. Deze laatste rente is dus hoger dan de wettelijke rente.

Mondelinge leningsovereenkomst
Aan de overeenkomst van geldlening stelt de wet geen vormvereisten. Het verstrekken van een lening kan dus ook berusten op een mondelinge afspraak tussen de partijen die de leningsovereenkomst sluiten. 
Let op.  Als deze echter wordt gesloten tussen de BV en de dga, dan ontstaan er sowieso bewijsproblemen, want welke afspraken heeft de dga dan met zijn BV gemaakt over de looptijd van de lening, de aflossingstermijnen en de rente? De enige die dat in feite kan bewijzen, is de dga zelf en dat is dus vragen om (bewijs)problemen.

Schriftelijke leningsovereenkomst

Wettelijk verplicht. Om de hiervoor genoemde redenen, maar ook omdat dit wettelijk vereist is bij rechtshandelingen tussen de BV en haar dga, moet een leningsovereenkomst altijd schriftelijk worden vastgelegd. Daarin moeten dus de afspraken op een zakelijke basis worden vastgelegd. Deze overeenkomst zou dus niet moeten verschillen met de overeenkomst van geldlening die met een derde wordt gesloten. De wettelijke eis van een schriftelijke overeenkomst is gesteld, omdat er anders een benadeling van andere schuldeisers op de loer ligt als het onverhoopt misgaat met de BV.

Zakelijke voorwaarden: Om het zakelijke karakter van een lening te benadrukken, moeten er in de schriftelijke leningsovereenkomst onder meer de volgende afspraken zijn vastgelegd:

  • Wat is het bedrag van de geldlening?
  • Wanneer moet de lening zijn afgelost?
  • Hoe hoog zijn de aflossingstermijnen en over welk tijdvak moet er een aflossingstermijn plaatsvinden?
  • Welke zekerheid wordt er aan de geldlening verbonden?
  • Welk (zakelijk bepaald) rentepercentage moet er worden betaald?

Debiteurenrisico voor de BV

Lening aan de dga. Verder is van belang dat als de dga geld leent van de BV, de BV ondanks deze lening aan haar eigen verplichtingen kan blijven voldoen. Ook zou de lening door een derde partij tegen vergelijkbare voorwaarden verstrekt moeten kunnen worden.

Onzakelijke lening Lijdt het verstrekken van een lening door de BV aan de dga tot een onaanvaardbaar hoog debiteurenrisico voor de BV, dan wordt al gauw geconcludeerd dat dit een onzakelijke lening is. Fiscale afwaardering van de lening is dan bijv. niet toegestaan, maar ook zal de curator bij een onverhoopt faillissement nadrukkelijk aandacht aan de lening besteden, om te kijken of hij de dga kan aanspreken uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid.

Toestemming echtgenoot/partner?

Lening aan de B.V. Leent de dga geld aan de BV voor de normale bedrijfsuitoefening door de BV, dan heeft de dga hiervoor in beginsel toestemming nodig van zijn echtgenoot als er in gemeenschap van goederen getrouwd is of bij een geregistreerd partnerschap. Dit speelt bijv. bij het verschaffen van zekerheid via een hypotheek op de echtelijke woning. Bij huwelijkse voorwaarden kan dit overigens anders liggen en hangt het af van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden.

Nietigheid geldlening door B.V.

De BV kan de nietigheid van een geldlening inroepen als de lening met de dga niet schriftelijk is vastgelegd. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang de dga aan het roer staat. Maar dat verandert wanneer dat niet het geval is, bijv. als de BV failliet gaat. 

Nieuwe box 3-heffing in 2027?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Deze week stemt een meerderheid in de Tweede Kamer in met een motie die de mogelijkheid van invoering van de nieuwe box 3-heffing op basis van werkelijk rendement in 2027 openhoudt. Hoewel de planning voor invoering strak is en het uitgestelde Kamerdebat de invoering in 2027 leek te vertragen, blijft het nu een optie.

Tijdens een debat in april werd duidelijk dat de Tweede Kamer graag ziet dat het nieuwe box 3-stelsel in 2027 wordt ingevoerd. Er bestaat echter verdeeldheid over de specifieke vorm ervan. De vier formerende partijen lijken een vermogenswinstbelasting te overwegen, waarbij meer beleggingen in box 3 zouden worden opgenomen. Deze belasting zou pas worden geheven wanneer winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het voorstel van Van Rij omvat een vermogensaanwasbelasting voor liquide beleggingen, zoals beursgenoteerde aandelen en obligaties, waarbij ook belasting wordt betaald over ongerealiseerde winsten. Voor illiquide beleggingen, zoals vastgoed en belangen in startups en familiebedrijven, werd een vermogenswinstbelasting voorgesteld.

Van Rij heeft gewaarschuwd dat de Europese staatssteunregels een uitzondering voor aandelen in familiebedrijven belemmeren. Daarom stelt hij voor het voorstel te beperken tot startups en vastgoed. De Tweede Kamer, met de VVD als voortrekker, geeft echter de voorkeur aan belastingheffing op alle illiquide beleggingen via een vermogenswinstbelasting.

Strakke planning

Staatssecretaris Van Rij van Financiën heeft recentelijk een reeks nieuwe vragen van de Kamer beantwoord. Hij heeft aangegeven dat de Kamer nog deze maand moet instemmen met het voorleggen van het huidige voorstel aan de Raad van State, om de mogelijkheid van invoering in 2027 open te houden. Een gepland debat hierover werd echter uitgesteld vanwege een extra ingelast Kamerdebat over het hoofdlijnenakkoord. Hierdoor leek 2027 mogelijk al uit het zicht te verdwijnen, maar een motie van NSC’er Idsinga lijkt daar nu verandering in te brengen. In de motie wordt het kabinet opgeroepen om het voorbereidingsproces voort te zetten, zodat het beoogde invoeringsjaar van het nieuwe box 3-regime op basis van werkelijk rendement, namelijk 1 januari 2027, gehaald kan worden. Deze motie heeft naar verluidt de steun van een meerderheid in de Kamer, waaronder partijen zoals de VVD, GroenLinks-PvdA, BBB en ChristenUnie, zoals gemeld door het FD.

Hiermee lijkt een mogelijke nieuwe vertraging voorlopig afgewend te zijn. Niettemin blijft het onzeker of 2027 als invoeringsjaar daadwerkelijk gehaald zal worden. De capaciteit van de Belastingdienst is nog steeds een punt van onzekerheid wat betreft de geplande invoering.