Europese kleineondernemersregeling

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Zakendoen in andere EU-lidstaten. Nieuw is dat vanaf 1 januari 2025 ook in Nederland gevestigde ondernemers gebruik kunnen maken van de kleineondernemersregeling btw in andere EU-lidstaten. We noemen dit de Europese kleineondernemersregeling btw (EU-KOR). 

Tip

De EU-KOR kan interessant zijn als u goederen of diensten levert aan afnemers die geen recht hebben op aftrek van voorbelasting, zoals particulieren.

Verzoek

Hiervoor moet er een separaat verzoek worden ingediend bij de Nederlandse Belastingdienst. Vanaf 1 januari 2025 is het dus mogelijk de KOR aan te vragen voor EU-landen waarmee u zakendoet. U bepaalt zelf voor welke EU-lidstaten u de KOR aanvraagt. U hoeft in deze landen dan geen btw-aangiften te doen. Let op.  Wel moet u ieder kwartaal de Nederlandse Belastingdienst een overzicht (opgaaf) verstrekken van de omzet die u in het voorgaande kwartaal in de EU heeft behaald.

Voorwaarden

Indien u als Nederlandse ondernemer gebruik wilt maken van de EU-KOR, dan is het vereist dat uw hoofdvestiging in Nederland ligt. De totale jaaromzet mag maximaal € 100.000 bedragen, opgeteld voor alle EU-landen, inclusief Nederland. U mag ook de nationale omzetgrens voor de EU-KOR in het EU-land waar u gebruikmaakt van de EU-KOR, niet overschrijden. Elk EU-land bepaalt zijn eigen nationale omzetgrens voor deelname aan de EU-KOR ( https://www.vatcalc.com/eu/2023-eu-vat-registration-intrastat-thresholds ). Als u de nationale omzetgrens overschrijdt, verschilt het per land hoe hiermee wordt omgegaan. In sommige landen eindigt uw deelname aan de EU-KOR direct.

Gevolgen toepassen EU-KOR

Alleen EU-KOR

Kiest u ervoor om in Nederland geen gebruik te maken van de KOR, maar past u de regeling wel toe in andere EU-lidstaten voor daar verrichte prestaties, dan kunt u de inkoop-btw die gerelateerd is aan de belaste handelingen in Nederland wel aftrekken. Voor inkoop-btw die te maken heeft met vrijgestelde handelingen buiten Nederland, heeft u geen aftrekrecht.

Alleen KOR in Nederland

Omgekeerd geldt: als u de KOR in Nederland toepast, maar de algemene btw-regels in andere EU-lidstaten volgt, heeft u geen recht op aftrek van inkoop-btw in Nederland. Zelfs niet voor de inkoop-btw die verband houdt met belaste handelingen in het buitenland.

Voorbeeld. Als u deelneemt aan de EU-KOR in bijv. Frankrijk, België en Italië, dan krijgt u een btw-vrijstelling in deze drie landen. Maar u kunt er ook voor kiezen om alleen in bijv. België aan de EU-KOR mee te doen. Dan krijgt u alleen in België een btw-vrijstelling.

Belangrijke administratieve stappen:

  • U moet de Nederlandse Belastingdienst informeren over het voornemen om gebruik te maken van de EU-KOR in een andere EU-lidstaat.
  • U moet in Nederland geregistreerd staan met een individueel nummer, aangevuld met het achtervoegsel EX.
  • Eén maand na elk kwartaal geeft u zowel de Nederlandse als de EU-omzet aan de Belastingdienst door.

Andere aandachtspunten:

  • U kunt gebruik gaan maken van de EU-KOR vanaf de datum waarop het individuele nummer aan u is medegedeeld door de vestigingslidstaat. Dit betekent dat als u zich op 1 januari 2025 heeft aangemeld voor de EU-KOR, u deze mogelijk pas in de derde week van februari 2025 kunt gaan toepassen, uitgaande van een maximale verwerkingstermijn van 35 werkdagen.
  • U kunt te maken krijgen met administratieve verplichtingen in andere EU-lidstaten, zoals facturering en boekhouding. Dit komt doordat elke EU-lidstaat zelf beslist of de ondernemer die gebruikmaakt van de EU-KOR is vrijgesteld van deze verplichtingen.
  • Bij gebruikmaking van de EU-KOR is een btw-registratie in de andere EU-lidstaat niet verplicht, maar deze kan wel verplicht worden gesteld als u niet aan de rapportageverplichtingen voldoet. EU-lidstaten kunnen sancties invoeren voor het niet-voldoen aan de rapportageverplichtingen. Een btw-registratie in Nederland is uiteraard wel verplicht.
  • Een ondernemer die grensoverschrijdende EU-KOR toepast, kan gebruik (blijven) maken van de One Stop Shop (OSS) voor zijn omzet behaald met b2c-diensten en afstandsverkopen in EU-lidstaten waar hij geen gebruikmaakt of kan maken van de EU-KOR, bijv. voor omzet behaald in een bepaalde EU-lidstaat boven de aldaar genoemde omzetdrempel. De omzet die onder de OSS wordt aangegeven, valt ook onder de rapportageverplichtingen van de KOR.
  • De Invoerregeling/IOSS en de EU-KOR kunnen niet naast elkaar worden toegepast. De ondernemer die de EU-KOR toepast (of zijn afnemer, afhankelijk op wiens naam de goederen worden ingevoerd) is dus wel btw verschuldigd over de invoer van de desbetreffende goederenzendingen.

Als de Europese jaaromzet de drempel van € 100.000 overschrijdt, moet u de Belastingdienst binnen 15 werkdagen inlichten.

Door toepassing van de EU-KOR kunt u een btw-vrijstelling krijgen in een of meer EU-landen waarin u zakendoet. U moet wel ieder kwartaal de Belastingdienst een overzicht verstrekken van de omzet die u in de EU heeft behaald. Houd de nationale omzetgrens van het EU-land en de algemene omzetgrens van de EU-KOR (€ 100.000) goed in de gaten.

Box 3 heffing werkelijk rendement

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Raad van State (RvS) adviseerde het kabinet in december 2024 om het plan voor box 3-heffing over het werkelijke rendement niet in de huidige vorm in te dienen bij de Tweede Kamer.

Het plan, dat in 2028 in zou moeten gaan, is te complex.

In een brief aan de Tweede Kamer laat staatssecretaris Tjebbe van Oostenbruggen (Fiscaliteit) weten dat het kabinet de voorgestelde ‘Wet werkelijk rendement box 3’ toch als beste optie ziet en doorgaat op de ingeslagen weg.

In de brief wordt ingegaan op een deel van de door de RvS genoemde alternatieven. Maar die zijn volgens de staatssecretaris niet beter. Vreemd genoeg wordt in de brief niet ingegaan op het door de RvS genoemde alternatief van een forfaitaire heffing gebaseerd op laagrisico rendementen zonder tegenbewijs.

Eigenlijk het ‘oude’ box 3 stelsel met een lager forfait. Dit is  een gemiste kans. In februari staat er een debat van de Tweede Kamer gepland over de plannen voor box 3. Wordt vervolgd dus…

Wij vinden het onbegrijpelijk dat het kabinet zich niets aantrekt van de zware kritiek van de RvS en ook niet van de bezwaren vanuit de rechtspraak en diverse beroepsorganisaties. Of is het een kwestie van de kop in het zand steken? Als het kabinet blijft vasthouden aan dit wetsvoorstel wordt box 3 er niet eenvoudiger op. En we krijgen ongetwijfeld meer gedoe, meer discussies en ook weer meer rechtszaken. Wie zit daar nou op te wachten? De belastingbetaler niet en ook de Belastingdienst niet.

Voorkom Belastingrente, controleer je voorlopige aanslag 2024/2025

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Belastingdienst is begonnen met het versturen van de voorlopige aanslagen voor 2025. Het is belangrijk om goed te controleren of de gegevens daarvan wel aansluiten bij jouw (verwachte) situatie in 2025. De Belastingdienst baseert de voorlopige aanslag op voorgaande jaren. Voor belastingplichtigen die hun aangifte over 2023 nog niet hebben ingediend vanwege het Becon-uitstel, kan de aanslag voor 2025 zelfs worden gebaseerd op de gegevens van 2022. Dit kan tot grote afwijkingen leiden, bijvoorbeeld als je winst als ondernemer in de afgelopen drie jaar is veranderd.

Aanslag 2024

Nu 2024 is afgelopen, kunnen we een betere inschatting maken van de inkomsten in dat jaar. Is de eerder opgelegde voorlopige aanslag naar verwachting te laag, of is er nog geen voorlopige aanslag opgelegd terwijl je wel belasting zult moeten betalen? Dien dan uiterlijk 24 maart 2025 een aangepaste voorlopige aangifte in. Dit voorkomt dat je belastingrente verschuldigd wordt.

Let hierbij ook op box 3.

Heb je bezittingen anders dan bankrekeningen? Dan is extra controle nodig. In 2022 was er nog een ander stelsel voor box 3, waardoor je aan te geven inkomen uit sparen en beleggen in 2024 sterk kan afwijken van dat in 2022.

Voorkom hoge belastingrente

Een juiste voorlopige aanslag helpt belastingrente te voorkomen. Deze is verschuldigd over het op de aanslag nog/bij te betalen bedrag. Vanaf 1 januari 2025 bedraagt de belastingrente 6,5% voor alle belastingen, inclusief de inkomstenbelasting. Voor de vennootschapsbelasting geldt een afwijkend percentage van nu 9%. De Belastingdienst rekent belastingrente vanaf 1 juli volgend op het belastingjaar tot maximaal 19 weken na het indienen van je aangifte, als de aanslag conform je aangifte wordt opgelegd. Wijkt de belastingdienst bij het opleggen van de aanslag echter af van de ingediende aangifte, dan wordt de rente berekend vanaf 1 juli volgend op het belastingjaar tot 6 weken na de dagtekening van de aanslag.

Voorbeeld belastingrente

Je doet op 1 augustus 2025 aangifte over 2024.

Je krijgt een aanslag met een te betalen bedrag van € 10.000.

De datum van de aanslag is 19 december 2025 en de aanslag is opgelegd conform de ingediende aangifte.

De belastingdienst berekent dan belastingrente vanaf 1 juli tot 12 december (maximaal 19 weken na het indienen van de aangifte).

De Belastingdienst rekent met 30 dagen per maand, dus 360 dagen in het jaar.

Tussen 1 juli tot 12 december zitten 5 maanden en 11 dagen.

€ 10.000 x 6,5% x 161/360 = € 290 belastingrente.

  • Hulp nodig?

Heb je hulp nodig bij het controleren of aanpassen van je aanslag?

Neem dan contact met ons op, wij helpen graag.

Kabinetsvoorstel voor een hoger btw-tarief krijgt brede weerstand

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De discussie over belastingverhoging ontstond nadat de Tweede Kamer in november verhinderde dat het lage btw-tarief op sport, cultuur en boeken werd verhoogd. Hierdoor moest het kabinet alternatieve manieren vinden om extra belastinginkomsten te genereren. De voorgestelde verhoging van het hoge btw-tarief zou naar verwachting circa 1,3 miljard euro opleveren, maar stuit op weerstand omdat dit de koopkracht kan aantasten en de inflatie tijdelijk kan aanwakkeren.

Het kabinet werkt aan een voorstel dat volgende week aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. Er lijkt weinig politieke draagvlak voor belastingverhogingen, maar moet er een keuze worden gemaakt: een beperkte stijging over meerdere sectoren of een aanzienlijke verhoging op specifieke producten en diensten.

Een alternatief dat is overwogen, is de invoering van één uniform btw-tarief van circa 17 à 18 procent, waarmee de huidige tarieven van 0, 9 en 21 procent zouden verdwijnen. Dit zou het belastingstelsel vereenvoudigen en inconsistenties, zoals het verschil in btw op condooms (9%) en glijmiddel (21%), wegnemen. Het kabinet acht deze optie echter niet haalbaar, omdat het gezonde producten zoals groente en fruit duurder zou maken.

Het kabinet neigt naar een bescheiden verhoging van het hoge btw-tarief als meest voor de hand liggende optie. Staatssecretaris Van Oostenbruggen zal aankomende week een keuzemenu met verschillende scenario’s aan de Tweede Kamer voorleggen.

Standpunt Belastingdienst keuzeherziening en herinvesteringsaftrek

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Op het forum van fiscaal dienstverleners werd onlangs een peiling gehouden met betrekking tot de keuzeherziening en de herinvesteringsaftrek. Wat speelt er?

Peiling onder fiscaal adviseurs

In een peiling werden door de Belastingdienst aan fiscaal dienstverleners twee stellingen voorgelegd.

Stelling 1. 
Een startende ondernemer koopt een tweedehands auto van twaalf jaar oud. Deze auto behoort volgens de regels van de vermogensetikettering tot het keuzevermogen. De ondernemer kiest ervoor om de auto te etiketteren tot zijn privévermogen. Op het moment dat de auto 15 jaar oud is, mag de ondernemer de keuze herzien, omdat er dan andere regels gelden voor het berekenen van de bijtelling met betrekking tot de auto. Is deze stelling juist?

Stelling 2. 
Naast de auto heeft de ondernemer ook een nieuwe aanhangwagen gekocht voor € 4.000. Hierop heeft de startende ondernemer willekeurig afgeschreven tot een boekwaarde van € 1.000. Na drie jaar wordt de aanhangwagen ingeruild voor een grotere aanhangwagen. Hij krijgt € 2.000 terug voor de aanhangwagen. Hij kan gebruikmaken van de herinvesteringsreserve van € 1.000. Is deze stelling juist?

Slechts 23% had juiste antwoorden

Slechts 23% van de fiscaal dienstverleners koos het juiste antwoord (beide stellingen zijn onjuist):

  • beide stellingen zijn juist (12%);
  • alleen stelling 1 is juist (2%);
  • alleen stelling 2 is juist (62%);
  • beide stellingen zijn onjuist (23%).

Toelichting stelling 1. 
Bij keuzevermogen geldt in beginsel: eens gekozen, blijft gekozen. U kunt op uw keuze terugkomen, zolang de fiscale gevolgen nog niet onherroepelijk zijn. Meestal blijkt de keuze uit de aangifte inkomstenbelasting over het jaar waarin u start met uw onderneming of over het jaar waarin u het bedrijfsmiddel voor het eerst in gebruik neemt. Zolang de aanslag inkomstenbelasting nog niet onherroepelijk vaststaat, kunt u terugkomen op uw keuze. Een aanslag staat onherroepelijk vast indien de termijn voor bezwaar, beroep en cassatie is verstreken. Deze termijn verstrijkt zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag.

Aanslag staat wel vast. 
Indien de definitieve aanslag over het jaar van aanschaf onherroepelijk vaststaat, kunt u alleen onder bijzondere omstandigheden op uw keuze terugkomen. Dit is bijv. het geval als:

  • er een wetswijziging is doorgevoerd die de fiscale behandeling van een vermogensbestanddeel zodanig verandert dat u, indien deze wetgeving al van kracht was geweest, een andere keuze zou hebben gemaakt;
  • het gebruik van het vermogensbestanddeel ingrijpend verandert, bijv. een bedrijfsmiddel dat u eerst voor 90% of meer zakelijk heeft gebruik, gebruikt u nu voor 90% of meer privé. In dit geval is er sprake van verplichte her etikettering van het bedrijfsmiddel;
  • de Hoge Raad eerdere rechtspraak wijzigt door terug te komen op een eerdere uitspraak, ook wel bekend als het omgaan van de Hoge Raad.

Toelichting stelling 2. 
Ook deze stelling is onjuist. Zodra er op het vervreemde bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven, moet u om de hoogte van de herinvesteringsreserve te bepalen, uitgaan van de boekwaarde zoals deze zou zijn zonder de toepassing van de willekeurige afschrijving. Het verschil tussen de boekwaarde de willekeurige afschrijving en de boekwaarde met willekeurige afschrijving moet dan in het jaar van vervreemding aan de winst worden toegevoegd.

Bij keuzevermogen geldt in beginsel: eens gekozen, blijft gekozen. U kunt op uw keuze terugkomen zolang de fiscale gevolgen nog niet onherroepelijk zijn, dus de definitieve aanslag nog niet vaststaat. Bewaak de termijnen die hiervoor gelden.

Let op! De Belastingdienst stuurt in december aanslagen met een dagtekening van januari 2025

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Belastingdienst stuurt in december aanslagen met een dagtekening in januari 2025.

Als je de voor de datum van de dagtekening betaald, kan het zijn dat de betaling niet juist verwekt kan worden in het systeem van de belastingdienst, waardoor het bedrag wordt teruggestort.

Let op!, er moet wel betaald worden voor de uiterste betaaldatum. Deze datum staat aangegeven op de aanslag bij het kopje betaalinformatie.

https://ffd.pleio.nl/news/view/ebd05283-433a-4e33-8729-be7768dfa577/voorlopige-aanslagen-2025-met-dagtekening-januari-2025-pas-betalen-in-2025?utm_source=Emailprovider&utm_campaign=Forum+Fiscaal+Dienstverleners+Nieuwsbrief+3+-+9+december+2024&utm_medium=email

Willekeurig afschrijven bij toetreden onderneming?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

U kunt als startende ondernemer, onder voorwaarden, willekeurig afschrijven over bedrijfsmiddelen die u in de startfase heeft aangekocht. Dit kan ook als u toetreedt tot een onderneming. Hoe zit dit precies?

Afschrijven. Op het moment dat u een bedrijfsmiddel koopt, mag u niet alle kosten in één keer in het jaar van aanschaf in aftrek brengen. U moet over het bedrijfsmiddel afschrijven. Veelal schrijft u gedurende de gebruiksduur jaarlijks een vast percentage af van het verschil tussen de aanschafkosten en de restwaarde.

Startende ondernemers

Bent u een startende ondernemer voor de inkomstenbelasting, dan mag u afwijken van deze afschrijvingsmethode. U wordt als startende ondernemer aangemerkt als u recht heeft op de startersaftrek. Hier heeft u recht op als:

  • u recht heeft op de zelfstandigenaftrek;
  • u in de afgelopen vijf jaar niet elk jaar ondernemer voor de inkomstenbelasting was;
  • u de zelfstandigenaftrek in de afgelopen vijf jaar maximaal twee keer heeft gebruikt;
  • er in het kalenderjaar of in een van de vijf voorafgaande jaren geen sprake was van een geruisloze terugkeer uit een BV.

Willkeurige afschrijving. Voldoet u aan de voorwaarden, dan kunt u gebruikmaken van de Willekeurige afschrijving startende ondernemers (WASO). Kort gezegd komt deze regeling erop neer dat u zelf beslist hoe snel u afschrijft over uw investering. Er geldt hierbij geen minimum en dit betekent dat u er ook voor kunt kiezen om minder af te schrijven dan de reguliere afschrijving. Let op.  De WASO geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Regels. Indien u in aanmerking komt voor de WASO, gelden er nog wel de volgende regels voor u. Zo mag u allereerst alleen de WASO toepassen op bedrijfsmiddelen die u kocht in de jaren dat u startersaftrek kon krijgen of in het jaar ervoor. Daarnaast kunt u niet willekeurig afschrijven over bedrijfsmiddelen die niet in aanmerking komen voor de investeringsaftrek.

Maximumbedrag. De investeringen die in aanmerking komen voor de WASO, zijn gebonden aan een maximumbedrag per kalenderjaar. Dit maximumbedrag is gelijk aan het maximumbedrag voor de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (in 2024: € 387.580). Heeft u voor een hoger bedrag geïnvesteerd dan het maximum, dan mag u zelf kiezen op welke bedrijfsmiddelen u willekeurig gaat afschrijven.

Toetreding samenwerkingsverband

U kunt ook als starter worden aangemerkt als u toetreedt tot een bestaande onderneming. Hierbij wordt u veelal gerechtigd tot (een deel van) de reeds aanwezige bedrijfsmiddelen. Dan schrijft u ook af over deze bedrijfsmiddelen.

Geen verplichting aangegaan. Ten aanzien van deze bedrijfsmiddelen bent u echter geen verplichting aangegaan, oftewel u heeft deze bedrijfsmiddelen niet zelf gekocht. Let op.  Dit betekent dat u niet aan alle regels van de WASO voldoet en in beginsel de WASO niet kunt toepassen op deze bedrijfsmiddelen.

Goedkeuring. De staatssecretaris van Financiën heeft echter in het besluit van 7 december 2005 (CPP2005/1402M) reeds goedgekeurd dat een belastingplichtige die als startende ondernemer wordt aangemerkt bij de toetreding tot een onderneming, de WASO toch kan toepassen ook al is er geen sprake van het aangaan van een verplichting. Let op.  Om van deze goedkeuring gebruik te kunnen maken, moet u wel een verzoek bij de Belastingdienst indienen.

Wijzigingen kleineondernemersregeling (KOR) en introductie EU-KOR

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De KOR biedt een vrijstelling van omzetbelasting (btw) voor ondernemers met een jaarlijkse omzet onder €20.000. Deze regeling is beschikbaar voor alle rechtsvormen, maar geldt alleen voor de btw; voor andere belastingen zoals de inkomstenbelasting, blijft aangifte verplicht.

Wijzigingen per 1 januari 2025

Vanaf 2025 zijn de volgende wijzigingen van kracht:

  • De verplichte minimale deelnameperiode van drie jaar vervalt. Wilt u per 1 januari 2025 stoppen? Meld dit uiterlijk 3 december 2024 via Mijn Belastingdienst Zakelijk.
  • De registratiedrempel stijgt van €1.800 naar €2.200.
  • U kunt gebruikmaken van kleineondernemersregelingen in andere EU-landen. De Unie-omzetdrempel bedraagt €100.000.

Criteria

De KOR is een btw-vrijstelling gebaseerd op omzet. Als de jaarlijkse omzet exclusief btw onder de €20.000 blijft, kunt u gebruikmaken van de KOR. Zowel belaste als bepaalde btw-vrijgestelde omzetten tellen mee voor deze grens, zoals:

  • Levering en verhuur van onroerend goed
  • Financiële en verzekeringsdiensten

Andere btw-vrijgestelde omzetten, zoals medische en sportdiensten, worden niet meegerekend.

Deelnamevoorwaarden

Elke ondernemer, ongeacht rechtsvorm, kan kiezen voor de KOR. Bij deelname:

  • Berekent u geen btw op leveringen en mag u geen voorbelasting aftrekken.
  • Is beperkte administratie vereist; btw-aangifte is niet nodig.
  • Facturering is optioneel en zonder btw-vermelding; vermelding “Factuur vrijgesteld van OB o.g.v. artikel 25 Wet OB” volstaat.

Overwegingen voor de KOR

  • Particulieren en niet-btw-plichtige klanten: Wanneer uw klanten voornamelijk particulieren of organisaties zijn die geen btw kunnen aftrekken, verhoogt de KOR uw winstmarge bij dezelfde verkoopprijs als voorheen. Dit maakt de KOR aantrekkelijk.
  • Zakelijke klanten: Heeft u veel zakelijke klanten? Dan kunt u bij deelname aan de KOR geen btw aftrekken op uw inkopen en zakelijke kosten, waardoor uw inkoopkosten stijgen. Om dezelfde winstmarge te behouden, moet u uw verkoopprijs zonder btw verhogen, wat uw product voor zakelijke klanten minder aantrekkelijk kan maken.
  • Grote investeringen: Plant u een grote investering? Onder de KOR kunt u de betaalde btw niet terugvragen, wat de totale investeringskosten verhoogt.
  • Teruggevraagde btw op eerdere investeringen: Als u in de afgelopen vijf jaar btw op investeringen als voorheffing hebt afgetrokken, en dit aftrekbedrag was gemiddeld meer dan €500 per jaar, kan een btw-herziening vereist zijn. Het totaalbedrag moet dan worden terugbetaald. Voor onroerend goed geldt een periode van tien jaar.
  • Btw-belaste verhuur: Bij btw-belaste verhuur van een pand is de KOR niet toepasbaar

Stoppen met de KOR

De deelname eindigt als:

  • De omzetgrens van €20.000 wordt overschreden. U dient dan direct btw in rekening te brengen vanaf de eerste levering boven de grens en de normale btw-administratie te hervatten. Deelname aan de KOR is drie jaar niet mogelijk.
  • U zelf verzoekt om te stoppen, vanaf 2025 zonder minimale termijn. Meld dit uiterlijk een maand voor het einde van het kwartaal.

Twijfelt u of de KOR of EU-KOR een oplossing kan bieden aan uw onderneming neem dan contact op met uw contactpersoon.

Box 3 ontwikkelingen

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

U heeft wellicht recent een brief ontvangen van de belastingdienst inzake box 3.

Deze is verstuurd naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad van juni 2024 (na de eerdere uitspraken in december 2021 die de start waren van dit hele traject).

In deze meest recente uitspraken heeft de Hoge Raad bepaald dat het “werkelijk rendement” in box 3 moet worden belast als dit lager is dan het fictief rendement zoals dat op grond van de wet berekend wordt.

Een beroep op deze uitspraak kan voor sommigen dus voordeliger zijn. De belastingdienst probeert een en ander in goede banen te leiden en geeft middels deze brief aan dat er ergens in de zomer van 2025 een formulier beschikbaar komt waarmee u het “werkelijk rendement” kunt doorgeven aan de belastingdienst. Te zijner tijd kunnen wij u daarbij ondersteunen c.q. dit voor u verzorgen.

Voorlopig hoeft er dus nog geen actie te worden ondernomen richting de fiscus.

Als u over de afgelopen jaren belasting in Box 3 verschuldigd was, raden we wel aan om de administratie/documentatie te bewaren waarmee u te zijner tijd het “werkelijk rendement” op uw vermogen kunt bepalen.

Dit betreft de jaren vanaf 2019 (2017 als er al eerder een bezwaar of verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend).

Kanttekening:

1.

Blijkt dat het “werkelijk rendement” hoger is dan het fictieve rendement volgens de wet, dan blijft de aanslag in stand. Er wordt niet alsnog een hogere aanslag opgelegd.

2.

Het begrip “werkelijk rendement” in dezen is een fiscaal begrip en geen economische waarde: ook nog niet gerealiseerde waardestijgingen van effecten en vastgoed tellen mee. Meer informatie inzake het “werkelijk rendement” kunt u hier vinden.

Wat is de werkkostenregeling ook al weer en hoe kunnen we daar gebruik van maken?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Werkkostenregeling (WKR) is een regeling die werkgevers de mogelijkheid biedt om onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers te geven. Toch zijn er enkele belangrijke regels waaraan je als werkgever moet voldoen om te voorkomen dat je voor onverwachte belastingkosten komt te staan. Een van de belangrijkste aspecten van de WKR is de zogenaamde gebruikelijkheidstoets en de eindheffing van 80% bij overschrijding van de vrije ruimte. In dit blog leggen we uit hoe de WKR werkt, wat de gebruikelijkheidstoets inhoudt, en waarom de eindheffing niet altijd de duurste oplossing is.

Wat is de Werkkostenregeling?

De Werkkostenregeling biedt werkgevers de mogelijkheid om belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers te geven. Hierbij kan het gaan om vergoedingen voor bijvoorbeeld reiskosten, maaltijden, of een cadeautje voor een werknemer. De belastingvrije vergoedingen mogen echter niet boven een bepaald bedrag uitkomen, wat de zogenaamde vrije ruimte is.

De vrije ruimte wordt berekend op basis van een percentage van de loonsom (het totale bruto loon van alle medewerkers samen). In 2024 is het percentage voor de vrije ruimte 1,92% van de loonsom tot €400.000. Als je loonsom boven de €400.000 uitkomt, geldt er een lager percentage van 1,18% voor het bedrag boven dat plafond. Maar wat gebeurt er als je boven deze vrije ruimte uitkomt? Hier komt de eindheffing van 80% in beeld.

Wat is de Gebruikelijkheidstoets?

De gebruikelijkheidstoets is een belangrijk onderdeel van de WKR. Deze toets kijkt of de verstrekkingen en vergoedingen die je aan je werknemers geeft, gebruikelijk zijn binnen jouw bedrijf of sector. De Belastingdienst heeft hierbij een aantal richtlijnen over wat als “gebruikelijk” wordt beschouwd en wat niet. Dit betekent dat vergoedingen die je verstrekt, redelijk en passend moeten zijn voor het soort werk dat de werknemer verricht en het bedrijf waarvoor hij werkt. Een vergoeding van € 2.400 per werknemer wordt als gebruikelijk gezien door de belastingdienst.

Bijvoorbeeld:

  • Een werknemer krijgt van zijn werkgever een laptop, maar dat geldt als een gebruikelijke verstrekking binnen het bedrijf.
  • Het geven van een jaarbonus die een aanzienlijk hoger bedrag is dan de gebruikelijke bonus in de sector kan de Belastingdienst als niet gebruikelijk beschouwen, omdat het buiten de gebruikelijke vergoedingen valt.

De gebruikelijkheidstoets zorgt ervoor dat werkgevers niet ongeoorloofd grote vergoedingen verstrekken die niet in lijn zijn met de verwachtingen binnen de sector. Als blijkt dat een vergoeding buiten de gebruikelijke normen valt, kan de Belastingdienst besluiten dat de vergoeding niet onder de WKR valt en dat je belasting moet betalen over de verstrekte bedragen.

Wat gebeurt er als je de vrije ruimte overschrijdt?

Als je de vrije ruimte overschrijdt, bijvoorbeeld door te veel vergoedingen of verstrekkingen te geven, krijg je te maken met een belastingheffing over het bedrag dat boven de vrije ruimte uitkomt. Dit wordt de eindheffing genoemd, en het belastingtarief voor deze eindheffing bedraagt 80%. Dit betekent dat als je boven de vrije ruimte uitkomt, je dus aanzienlijk meer belasting moet betalen over het overschreden bedrag.

Bijvoorbeeld: Stel je hebt een loonsom van €125.000, wat een vrije ruimte van €2400 met zich meebrengt. Je verstrekt aan je werknemers in totaal €5000 aan vergoedingen. De eerste € 2.400 van deze vergoedingen is belastingvrij, maar de resterende €2.600 valt boven de vrije ruimte en wordt belast tegen 80%. Dit betekent dat je 80% belasting moet betalen over die €2.600, oftewel €2.080 aan belasting.

Is de eindheffing van 80% echt zo duur?

Nee, dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Als je een werknemer een netto bonus hebt beloofd van stel € 1.000 en de vrije ruimte is al volledig gebruikt. Dan betaal je 80% eindheffing, dus € 800. De totale bonus kost je als werkgever € 1.800. Maar wat als je de netto bonus van € 1.000 moet bruteren, waarbij je gebruik maakt van tarief bijzondere beloningen. Daarbij ga ik uit van een werknemer met een modaal inkomen van € 44.000. Het tarief bijzondere beloningen is dan 50,11%. Ga je de netto bonus van € 1.000 bruteren dan kom je op een brutoloon uit van € 2.004,41. In dit geval moet je voor de werknemer ook nog sociale verzekeringen betalen aan de belastingdienst van zeker 15%, deze premie wordt berekend over het brutoloon en zijn 15% x € 2.004,41 = € 300,66. De totale kosten bedragen dan € 2.305,07. De eindheffing van 80% is dus veel voordeliger en bespaart je in dit geval € 505,07. 

Wat kun je doen om de eindheffing te voorkomen?

Er zijn verschillende manieren om te voorkomen dat je boven de vrije ruimte uitkomt en te maken krijgt met de eindheffing van 80%. Hier zijn enkele tips:

  1. Houd de vergoedingen goed bij: Zorg ervoor dat je altijd weet hoeveel je aan vergoedingen hebt verstrekt en hoeveel van die vergoedingen al in de vrije ruimte vallen. Dit kan eenvoudig worden gedaan door gebruik te maken van een goed administratiesysteem.
  2. Maak gebruik van specifieke belastingvrije vergoedingen: Sommige vergoedingen vallen buiten de vrije ruimte en zijn altijd belastingvrij. Denk bijvoorbeeld aan vergoedingen voor reiskosten of specifieke opleidingskosten. Maak gebruik van deze mogelijkheden om belasting te besparen.
  3. Spreid de vergoedingen over het jaar: Als je merkt dat je aan het einde van het jaar boven de vrije ruimte uitkomt, kun je overwegen om een deel van de vergoedingen naar het volgende jaar te verschuiven, zodat je onder de drempel blijft.
  4. Toets de gebruikelijkheid van vergoedingen: Voordat je vergoedingen verstrekt, is het belangrijk om te controleren of deze in lijn zijn met wat als gebruikelijk wordt beschouwd in jouw sector en bedrijf. Overweeg of je vergoedingen kunt aanpassen om ze meer in lijn te brengen met wat gangbaar is.
  5. Plan vooruit: Als je weet dat je in een bepaald jaar een grote verhoging van je loonsom verwacht, kun je je strategie voor de WKR aanpassen en plannen voor de uitgaven die binnen de vrije ruimte blijven.


Conclusie

De Werkkostenregeling vereist wel de nodige aandacht voor de administratieve kant van vergoedingen en verstrekkingen. De gebruikelijkheidstoets en de eindheffing van 80% bij overschrijding van de vrije ruimte kunnen flinke gevolgen hebben voor je belastingaangifte als je niet oplet. Met de juiste planning en controle kun je optimaal profiteren van de WKR zonder onverwachte belastingheffingen.

Voor vragen over de werkkostenregeling kun je contact opnemen met onze collega’s van de salarisafdeling.