Stijging prijzen woning in relatie met inflatie

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De huizenprijzen stijgen al maandenlang met zo’n 10 procent. En volgens de prijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de piek van juli 2022 al ruimschoots overstegen. Maar is dat nog zo als je de huizenprijzen corrigeert voor inflatie? Ofwel, wat is de reële waarde van woningen?

In mei zijn de huizenprijzen met 9,7 procent gestegen ten opzichte van dezelfde maand vorig jaar, meldde het CBS. Daarvoor stegen de huizenprijzen tien maanden op rij met (meer dan) 10 procent op jaarbasis. De gemiddelde verkoopprijs kwam in mei uit op 472.000 euro, zo’n 26.000 euro hoger dan in mei vorig jaar.

Het CBS houdt de ontwikkeling van de huizenprijzen bij in de prijsindex bestaande koopwoningen. Daarin bereikten de prijzen van bestaande koopwoningen in juli 2022 een piek, om daarna enige tijd te dalen. Sinds juni 2023 is de trend weer stijgend. Afgelopen mei lagen de prijzen gemiddeld 11,7 procent hoger dan in de piek in juli 2022.

Is dat ook het geval als je rekening houdt met inflatie. Inflatie betekent dat prijzen stijgen, waardoor je minder kan kopen. Je geld is dus minder waard. Door inflatie is je koopwoning minder waard dan het lijkt. In Nederland kwam de inflatie in mei uit 3,3 procent, dat is relatief hoog. Gestreefd wordt naar 2 procent. De inflatie in de eurozone ligt al rond de 2 procent.

Als je de reële waarde (met rekening houdend inflatiebedrag) vanaf 2020 afzet tegen de nominale waarde zal je zien dat de nominale huizenprijs in mei 2025 ruimschoots boven de piek van juli 2022 uitkomt.

Terwijl de reële huizenprijs nog iets onder de piek van juli 2022 ligt. Het verschil wordt wel kleiner wordt, omdat momenteel de huizenprijzen sneller stijgen dan de inflatie. Verwacht wordt dat ook de reële huizenprijs binnenkort opnieuw piekt.

Hoewel de hoge inflatie misschien slecht nieuws is voor je portemonnee, is het goed nieuws voor je hypotheek. Het voordeel is het beste te schetsen met een aflossingsvrije hypotheek, waarbij de maandlasten alleen bestaan uit rente en je gedurende de looptijd niets aflost.

Sloot je begin 2020 een aflossingsvrije hypotheek af van 400.000 euro, dan is dat bedrag in mei 2025 nog steeds hetzelfde. Maar door inflatie voelt het bedrag minder zwaar, omdat je inkomen meesteeg met de inflatie en de rente van de hypotheek hetzelfde is gebleven. In euro’s van 2020 is de hypotheekschuld in reële waarde geslonken naar 316.328 euro. Daardoor geef je een kleiner deel van je inkomen uit aan maandlasten.

Ook kan het zijn dat door de waardestijging van de woning de waarde van de woning hoger is dan afgesproken waarde tariefklasse in de hypotheekovereenkomst. Hierdoor is de kans dat er minder rente betaald hoeft te worden over het hypotheekbedrag. Neem hiervoor contact op met je hypotheekverstrekker.

Bijtelling auto van de zaak tijdens de zomervakantie: waar moet u op letten?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De zomervakantie is een periode waarin het gebruik van de auto van de zaak kan afwijken van de rest van het jaar. Dit kan gevolgen hebben voor de bijtelling. In dit artikel zetten we vier veelvoorkomende situaties op een rij en leggen we uit wat dit betekent voor de bijtelling.

1. Tijdelijk een andere auto rijden

Gebruikt een werknemer tijdens de vakantie een andere auto van de zaak dan normaal, bijvoorbeeld een grotere gezinsauto of een benzine auto in plaats van elektrische auto die een caravan kan trekken? Dan kunnen zich twee situaties voordoen:

  1. Werknemer levert eigen auto in en rijdt tijdens vakantie in andere auto. Gedurende het jaar heeft werknemer nu 2 auto’s ter beschikking waarbij meer dan 500 km per jaar wordt gereden. De auto die normaal gebruikt wordt staat in de vakantie niet ter beschikking en de tijdelijke auto wordt in vakantie gebruikt. In dit geval is er tijdens de vakantie alleen bijtelling van de tijdelijke auto. Op jaarbasis is er bijtelling van eigen auto gedurende 49 weken en bijtelling over de tijdelijke auto gedurende 3 weken (uitgaande van 3 weken zomervakantie).
  2. Werknemer krijgt een andere auto tijdens de vakantie. Werknemer behoudt eigen auto tijdens vakantie en hoeft deze niet in te leveren. Dan geldt voor deze tijdelijke auto een aparte beoordeling. Wordt er met deze auto meer dan 500 kilometer privé gereden op jaarbasis, dan is bijtelling van toepassing voor deze specifieke auto. De bijtelling wordt per auto beoordeeld, niet per werknemer. Let op 500 km op jaarbasis. Als werknemer de auto drie weken heeft dan mag hij maar 29 km (500 op jaarbasis / 52 weken x 3 weken) privé rijden.

2. Door vakantie boven de 500 kilometer privégebruik

Een werknemer die normaal onder de grens van 500 kilometer privégebruik blijft, kan tijdens de vakantie ongemerkt over deze grens heen gaan. In dat geval geldt alsnog bijtelling voor het hele kalenderjaar. Er is geen verrekening naar rato: de grens is absoluut. Een sluitende rittenregistratie is essentieel om dit te voorkomen. Als in augustus blijkt dat werknemer meer dan 500 km privé heeft gereden dan zal de bijtelling vanaf 1 januari van het huidige jaar toegepast moeten worden. Dit geldt natuurlijk ook als in december blijkt dat de werknemer toch meer dan 500 km rijdt.

3. Geen beschikking over de auto tijdens vakantie

Is de auto tijdens de vakantieperiode niet beschikbaar voor de werknemer, bijvoorbeeld omdat deze is ingeleverd of geblokkeerd voor privégebruik? Dan kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. In sommige gevallen kan de bijtelling vervallen, mits dit goed is vastgelegd en aantoonbaar is dat de werknemer geen gebruik kon maken van de auto. Als werknemer de auto thuis laat staan en hoeft de sleutels niet in te leveren zal de belastingdienst dit waarschijnlijk niet accepteren. Moet werknemer de auto op de zaak stallen en de sleutels blijven op de zaak dan zal de belastingdienst dit sneller accepteren dat er geen bijtelling is.

4.Tijdelijk een auto rijden in de vakantie

Krijgt een werknemer alleen tijdens de vakantieperiode een auto ter beschikking (bv doordat collega een auto inlevert tijdens de vakantie) en werknemer rijdt meer dan 500 km op jaarbasis dan geldt voor de periode dat werknemer de auto ter beschikking heeft gekregen een bijtelling. Dus stel dat werknemer drie weken een auto ter beschikking krijgt en werknemer rijdt in die periode meer dan 29 km (500 op jaarbasis / 52 weken x 3 weken) dan heeft deze werknemer gedurende drie weken een bijtelling.


Tot slot

Wilt u als werkgever of werknemer zeker weten hoe u met bijtelling moet omgaan tijdens de vakantieperiode? Neem dan contact op met uw adviseur bij LDE Accountants. Wij denken graag met u mee.

Wet tegenbewijsregeling box 3

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Op 8 juli 2025 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet tegenbewijsregeling box 3.

Deze nieuwe wet biedt belastingplichtigen met vermogen in box 3 de mogelijkheid om hun werkelijk rendement op te geven, wanneer dit lager is dan het fictieve rendement waarmee de Belastingdienst rekent.

Indien uw werkelijk rendement lager is dan het fictieve rendement, kan dit u een belastingvoordeel op leveren.

U kunt uw werkelijk rendement doorgeven via het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR).

Dit formulier vindt u terug in Mijn Belastingdienst. Wij kunnen ook namens u het werkelijk rendement doorgeven.

Voor wie geldt de tegenbewijsregeling?

De regeling geldt voor:

  • Alle belastingplichtigen met box 3-inkomen vanaf het belastingjaar 2021.
  • Belastingplichtigen met box 3-inkomen in de jaren 2017 t/m 2020, mits de definitieve aanslag inkomstenbelasting op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond én er tijdig bezwaar is gemaakt of verzocht is om ambtshalve vermindering.

Brieven van de Belastingdienst

Vanaf half juli 2025 is de Belastingdienst gestart met het versturen van brieven aan belastingplichtigen die hun werkelijk rendement kunnen doorgeven.

Afhankelijk van uw situatie ontvangt u één van de volgende twee brieven:

  • Attentiebrief

Deze brief krijgt u als de belastingaanslag voor het betreffende jaar nog niet is opgelegd of als u geen bezwaar hebt gemaakt tegen de aanslag.

Indien uw aangifte via een intermediair is ingediend, heeft u na de dagtekening van de attentiebrief 26 weken om het werkelijk rendement door te geven.

Als u zelf de aangifte heef ingediend, hebt u 12 weken de tijd om het werkelijk rendement door te geven.

  • Motiveringsbrief

Deze brief ontvangt u als er al een definitieve aanslag ligt én daartegen bezwaar is gemaakt of als een verzoek tot ambtshalve vermindering is ingediend.

De motiveringsbrief bevat mogelijk meerdere belastingjaren.

Na de dagtekening van de motivatiebrief dient u binnen 12 weken het werkelijk rendement door te geven.

De brieven zullen waarschijnlijk niet allemaal tegelijk verstuurd worden.

U kunt dus op een later moment nog bericht ontvangen van de Belastingdienst.

Bent u klant bij ons, en wilt u dat wij voor u beoordelen of het werkelijk rendement voor u mogelijk voordeel oplevert, dan ontvangen wij graag van u de getekende opdrachtbevestiging.

Wij ontvangen graag alle brieven die u ontvangt van de Belastingdienst, u kunt de brieven mailen naar info@ldeaccountants.nl

BV biedt geen bescherming tegen risico’s schijnzelfstandigheid

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Kamer van Koophandel (KvK) signaleert dat startende ondernemers in toenemende mate kiezen voor de rechtsvorm besloten vennootschap (BV). Volgens de KvK lijkt deze ontwikkeling mede te zijn ingegeven door het misverstand dat een BV bescherming biedt tegen risico’s rondom de beoordeling van schijnzelfstandigheid. Dit blijkt uit het meest recente trendrapport van de KvK.

Afname groei aantal vestigingen

In het tweede kwartaal van 2025 constateert de KvK opnieuw een stijging van het aantal stoppende vestigingen, terwijl het aantal nieuwe inschrijvingen verder daalt. Hierdoor neemt de netto groei van het aantal vestigingen inmiddels al twee jaar af.

Per 30 juni 2025 stonden er 2.588.747 vestigingen geregistreerd in het Handelsregister, een stijging van slechts 1,2% ten opzichte van dezelfde periode in 2024. Dit is het laagste groeicijfer van de afgelopen tien jaar.

Politieke onzekerheid remt ondernemers

De huidige politieke situatie leidt tot terughoudendheid onder ondernemers. Door het demissionair worden van het kabinet bestaat er onzekerheid over de voortgang van belangrijke wet- en regelgeving, zoals het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR), het stikstofbeleid en beleidsmaatregelen rondom arbeidsmigratie. Aangezien deze dossiers mogelijk niet op korte termijn worden opgepakt, ontbreekt bij veel ondernemers de noodzakelijke duidelijkheid om investeringsbeslissingen te nemen. In afwachting van verdere ontwikkelingen kiezen velen voor de zekerheid van loondienst.

Toename keuze voor BV als rechtsvorm

Het aantal startende ondernemers dat kiest voor de rechtsvorm BV blijft stijgen. In het tweede kwartaal van 2025 registreerden zich 10.611 BV’s, een toename van 21% ten opzichte van dezelfde periode in 2024. Mogelijke aanleiding voor deze toename is de verscherpte handhaving op schijnzelfstandigheid bij eenmanszaken.

Het idee dat de keuze voor een BV bescherming biedt tegen de beoordeling op schijnzelfstandigheid is onjuist. Voor zowel eenmanszaken als BV’s gelden dezelfde criteria bij de toetsing van arbeidsrelaties. Ook bij werkzaamheden uitgevoerd via een BV mag er geen sprake zijn van een gezagsverhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.

Ontwikkelingen bij starters en stoppers

Het aantal nieuwe inschrijvingen bedroeg in het tweede kwartaal van 2025 in totaal 53.799, een daling van 13% ten opzichte van Q2 2024 (61.864). De sterkste afname van starters werd gemeten in de sectoren:

  • Energie, water en milieu: -34%
  • Land- en tuinbouw: -34%
  • Gezondheidszorg: -29%

De meeste nieuwe ondernemingen werden opgericht in de volgende sectoren:

  • Zakelijke dienstverlening: 26%
  • Detailhandel: 15%
  • Bouw: 11%

Tegelijkertijd nam het aantal stoppers toe tot 40.801, een stijging van 23% ten opzichte van dezelfde periode in 2024 (33.136). De toename was het grootst in:

  • Gezondheidszorg: +52%
  • Land- en tuinbouw: +50%
  • Bouw: +33%

Een daling van het aantal bedrijfsbeëindigingen werd gemeten in:

  • Energie, water en milieu: -17%
  • Groothandel: -12%

B.V. fiscaal aantrekkelijk of niet?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Ik krijg vaak de vraag wanneer is het voor mij fiscaal aantrekkelijk om naar een B.V. te gaan. Met de wijziging van de belastingtarieven is in 2025 ook de keuze van wel of geen B.V. veranderd. Maar wanneer is de B.V. anno 2025 fiscaal aantrekkelijker dan de eenmanszaak of een V.o.f?
In hoeverre speelt het uitdelen van winst een rol?

Overstap naar B.V. maken ? 
De politiek blijft wispelturig. Zo kende box 2 in 2024 voor het eerst een laag en een hoog tarief. Per 2025 is het hoge tarief weer verlaagd. Het tarief van de vennootschapsbelasting (Vpb) is gelijk gebleven, maar dat van de inkomstenbelasting licht verlaagd. Daar staat weer tegenover dat de ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting fors zijn verminderd. Dus is de vraag weer actueel of en wanneer u het beste de overstap naar de B.V. kunt maken.

Samengestelde tarieven. 
Een DGA met een B.V. moet eerst een zogenoemd ‘gebruikelijk loon’ aan de B.V. onttrekken dat belast wordt in box 1. Dit bedraagt in beginsel minstens € 56.000. De resterende winst wordt eerst belast met Vpb. Over de eerste € 200.000 is het tarief 19%, over het meerdere 25,8%. Wordt het restant uitgedeeld, dan is het tarief in box 2 24,5% over de eerste € 67.804 over het meerdere is het tarief 31%. De winst van een eenmanszaak wordt ook belast in box 1, maar hierop mag eerst een aantal ondernemersfaciliteiten in mindering worden gebracht.
Daarnaast moet er ook rekening worden gehouden met premies Zorgverzekeringswet (Zvw).

Eenmanszaak versus B.V.

Als we het netto-inkomen bij verschillende winstniveaus vergelijken, krijgen we de volgende tabel.

WinstIB-ondernemerB.V./DGAVerschil
€ 75.000€ 52.953€ 50.401€ 2.552
€ 100.000€ 63.844€ 65.690-/- € 1.846
€ 150.000€ 89.581€ 95.727-/- € 6.146
€ 350.000€ 200.100€ 203.095-/- € 2.995
€ 424.000€ 240.993€ 240.982€ 11
€ 500.000€ 282.991€ 279.892€ 3.099

Omslagpunt. 
Duidelijk is dat de B.V. bij een hogere winst al snel voordelig is. Het omslagpunt ligt ongeveer bij een winst van € 87.500. Daarna wordt de B.V. al snel een stuk voordeliger tot een winst van € 424.000, waarna de eenmanszaak weer voordeliger wordt. Dit hangt samen met het hoge Vpb-tarief van 25,8% in combinatie met het hoge tarief in box 2 van 31%. 

Let op.  
Overigens is ermee gerekend dat alle winst ook direct wordt uitgedeeld. Dit hoeft echter niet voordelig te zijn, zeker niet als het vervolgens privé in box 3 wordt belast. Oppotten van winst heeft echter weer het nadeel dat bij uitdeling op het eind sneller het hoge box 2-tarief van 31% wordt bereikt. Uitdelen en oppotten met beleid is dus het devies.

Aandachtspunten:

Belang partner. Bij de vergelijking is geen rekening gehouden met een eventuele partner. Is deze er wel, dan kan er in box 2 rekening gehouden worden met het lage tarief van 24,5% tot een inkomen van € 135.608. Box 2-inkomen kan door partners namelijk onderling verdeeld worden, zodat dan tot twee keer € 67.804 het lage tarief geldt. Dit betekent dat het voordeel van de B.V. toeneemt en dat ook het omslagpunt van € 424.000 hoger komt te liggen.

Gebruikelijk loon. Er is verder gerekend met een gebruikelijk loon van € 56.000, maar dit mag niet minder zijn dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Bij hogere winsten is het dan ook niet denkbeeldig dat er met een hoger gebruikelijk loon gerekend moet worden, wat het voordeel van een B.V. weer vermindert. 

Let op.
Er is geen rekening gehouden met individuele factoren, zoals een hoge aftrek van hypotheekrente.

Lagere premie voor verplichte AOV-zelfstandigen realistischer dan gedacht

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen – waar al jaren over wordt gesproken – lijkt betaalbaarder te kunnen uitpakken dan tot nu toe werd aangenomen. Een recente analyse van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) suggereert dat de premie aanzienlijk lager kan zijn dan de 6,5% waarmee het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) momenteel rekent.

Realistischer premiescenario’s

Volgens het rapport van de actuarissen is een premie van 5,6% realistischer, uitgaande van een wachttijd van één jaar. Mocht er gekozen worden voor een wachttijd van twee jaar, dan kan de premie zelfs dalen tot 5,0%. Eerdere geluiden voor een premie van slechts 3% zou niet haalbaar zijn.

Hoewel de premie relatief hoog lijkt, is de dekking beperkt: de uitkering bedraagt maximaal het minimumloon en geldt alleen bij volledige arbeidsongeschiktheid. Voor een gemiddelde zelfstandige betekent dit een premie van duizenden euro’s per jaar tegenover een relatief lage uitkering. De regeling is dan ook bedoeld als basisvangnet, niet als volledige inkomensverzekering.

Waarom de kosten meevallen

De reden dat de premie lager kan uitvallen, ligt volgens de experts in een aantal specifieke kenmerken van de zogeheten Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ):

  • Er wordt alleen uitgekeerd bij volledige arbeidsongeschiktheid.
  • Het keuringscriterium is strenger dan bij werknemers die onder de WIA vallen.
  • De verwachte instroom is lager.
  • Psychische klachten, een belangrijke reden voor instroom in de WIA, komen onder zelfstandigen relatief minder vaak voor.

Deze factoren samen zorgen ervoor dat de risico-inschatting voor langdurige arbeidsongeschiktheid onder zzp’ers naar verwachting zo’n 10% lager ligt dan bij werknemers in loondienst.

Bijdrage aan een eerlijke discussie

Het AG hoopt met dit rapport bij te dragen aan een meer objectieve en feitelijke discussie over de invoering van de verzekering. De hoogte van de premie is een belangrijk punt van zorg voor veel zzp’ers, zeker omdat de uitkering beperkt is tot het niveau van het minimumloon.

Hoewel de uitvoering mede vanwege capaciteitsproblemen bij UWV en de Belastingdienst nog altijd een uitdaging vormt, benadrukken de actuarissen dat het kabinet serieus werk blijft maken van de invoering. Niet in de laatste plaats omdat de regeling als voorwaarde geldt voor het verkrijgen van Europese steun uit het coronaherstelfonds.

Voor vragen neem contact met ons op 013-5340001.

Wanneer is een bestelauto uitsluitend geschikt voor goederenvervoer?

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Of  een bestelauto uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer is van belang voor de bijtelling. Rijdt een werknemer in zo’n bestelauto dan is de forfaitaire bijtelling niet van toepassing, zonder dat daarvoor een sluitende kilometerregistratie bijgehouden hoeft te worden.

De bestelauto’s die hiervoor in aanmerking komen hebben in  principe alleen een stoel voor de chauffeur zelf. Er is dus geen passagiersstoel aanwezig en geen achterbank om passagiers mee te nemen. Is de auto wel voorzien van een bijrijdersstoel of anderhalf zitsbankje, dan is uitsluitend het weghalen van dat bankje of die stoel niet voldoende om te bestelauto te kunnen aanmerken als een bestelauto die uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer. De bevestigingspunten moeten ook worden verwijderd of dicht gelast.

Een voorbeeld van een bestelauto die voor deze regeling in aanmerking komt is de serviceauto waarin naast de bestuurder alleen plaatst is voor gereedschappen en reserveonderdelen. Gebruikt de  werknemer deze serviceauto toch voor ritten met een privékarakter, dan krijgt de bestuurder een bijtelling op basis van het werkelijke gebruik. Dit gebruik wordt berekend door de gereden privékilometers te vermenigvuldigen met de werkelijke kostprijs per kilometer van die bestelauto.

Uitzonderingen op de regel – Uitspraken belastingrechters

Uitspraken van belastingrechters laten zien  dat niet alleen bestelauto’s met slechts één stoel onder deze uitzondering vallen. Bij het tot stand komen van deze uitzondering is wel vooral gedacht aan bestelauto’s met slechts één stoel. Maar in mei 2009 besliste de Hoge Raad al dat een grote bestelauto van een bloemist, voorzien van specifieke inrichting en met meerdere zitplaatsen, ook in aanmerking kwam voor deze uitzondering.

Ook is er een uitspraak over een grote bestelauto (verlengd en verhoogd, zodat deze niet op normale parkeerplaatsen en in parkeergarages past) van een vloerbedekkinglegger. Ook in die situatie gold het vaste bijtellingspercentage niet, al had de auto twee zitplaatsen. Deze viel ook onder de uitzonderingsregel, omdat de auto als gevolg van het gebruik voor schilders- en schuurwerkzaamheden “erg vies is en stinkt” en omdat de auto in de laadruimte is voorzien van een kunststof bak die alleen door een garagebedrijf verwijderd kan worden.

In een zaak uit juni 2011 was zelfs  zo’n bak niet nodig en was bij een bestelauto van een timmerbedrijf vooral van belang dat de auto erg vies was en daardoor niet goed geschikt voor privégebruik.

Intussen ontstaat uit de rechtspraak het beeld dat de uitzondering voor specifieke bestelauto’s ruimer is dan alleen voor bestelauto’s met slechts één stoel. Wel is dan vereist dat de tweede stoel noodzakelijk is voor een bijrijder voor hulp bij laden en lossen , dat de bestelauto is voorzien van een specifieke inrichting of  wordt gebruikt voor een specifiek doeleinden.

Bestelauto uitsluitend geschikt voor goederenvervoer

De volgende categorieën bestelauto’s kunnen worden aangemerkt als bestelauto’s die naar aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt zijn voor het vervoer van goederen. Het gaat hierbij steeds om bestelauto’s zonder dubbele cabine.
a. bestelauto waarvan
?-?de bijrijdersstoel is verwijderd en
?-?de bevestigingspunten van de bijrijdersstoel zijn weggeslepen of dichtgelast.


b. bestelauto waarvan
?-?het vloeroppervlak van de laadruimte 90% of meer bedraagt van het totale vloeroppervlak.


c. bestelauto die
?- ?zodanig groot is dat hij niet in een parkeergarage past en
?- ?voorzien is van stellingen en waarvan de bijrijdersstoel functioneel is t.a.v. het laden en lossen. Hierbij kan getoetst worden of de bijrijder ook meerijdt om andere hoofdwerkzaamheden van de onderneming uit te voeren (niet zijnde laden en lossen).

d. bestelauto die vies en stoffig is en waarvan de bijrijdersstoel functioneel is t.a.v. het laden en lossen.

Is een ter beschikking gestelde bestelauto (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen, dan mag de werkgever de regeling voor privégebruik auto niet toepassen.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen is niet het gebruik van een auto bepalend, maar de inrichting ervan.

Meerijden bijrijder niet toerekenen aan vervoer goederen

Dat de bijrijder meerijdt omdat zonder zijn hulp de chauffeur de lading (lantaarnpalen) niet op de plaats van bestemming kan lossen, betekent dat niet dat de bijrijdersstoel (nagenoeg) uitsluitend een functie voor het vervoer van goederen heeft. De bijrijder verricht namelijk na het lossen andere werkzaamheden, zoals het graven van gaten om de lantaarnpalen te plaatsen, evenals het plaatsen van lantaarnpalen.
Functioneel bezien moet het meerijden van de bijrijder dan ook niet – in ieder geval niet in voldoende mate – worden toegerekend aan het vervoer van goederen. Dat betekent dat geen sprake is van een bestelauto die door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen.

Belang van contant geld bij storingen

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Minister Heinen benadrukt: “Contant geld is van iedereen. Voor veel mensen is contant betalen belangrijk omdat ze moeite hebben met digitaal betalingsverkeer of om andere redenen liever contant betalen. Bij een pinstoring is het ook essentieel om contant geld beschikbaar te hebben. Daarom moet contant geld toegankelijk blijven.”

Landelijke infrastructuur van geldautomaten

Hoewel banken al afspraken hebben over een landelijke infrastructuur van geldautomaten, blijkt dit volgens de minister niet voldoende om de bereikbaarheid van contant geld in de toekomst te garanderen. Het opnemen van contant geld mag particulieren geen geld kosten, en voor ondernemers zullen maximumtarieven gelden. Geld storten moet ook mogelijk worden bij geldautomaten voor klanten van banken met meer dan 500.000 klanten, en voor particulieren zal dit kosteloos zijn.

Acceptatieplicht voor contante betalingen

Recent heeft de Tweede Kamer een voorstel aangenomen voor een nationale acceptatieplicht van contante betalingen tot € 3.000. De Eerste Kamer moet nog over dit voorstel stemmen. Momenteel wordt onderzocht welke uitzonderingen nodig zijn, bijvoorbeeld vanwege veiligheidsredenen.

Wat vind jij van het voorstel om contant geld wettelijk te verankeren? Denk je dat dit een positieve impact zal hebben op de toegankelijkheid van contant geld in Nederland?

Mocht je vragen hebben n.a.v. van deze blog da mag u altijd even contact opnemen met ons! (0135340001)

Europese kleineondernemersregeling

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

Zakendoen in andere EU-lidstaten. Nieuw is dat vanaf 1 januari 2025 ook in Nederland gevestigde ondernemers gebruik kunnen maken van de kleineondernemersregeling btw in andere EU-lidstaten. We noemen dit de Europese kleineondernemersregeling btw (EU-KOR). 

Tip

De EU-KOR kan interessant zijn als u goederen of diensten levert aan afnemers die geen recht hebben op aftrek van voorbelasting, zoals particulieren.

Verzoek

Hiervoor moet er een separaat verzoek worden ingediend bij de Nederlandse Belastingdienst. Vanaf 1 januari 2025 is het dus mogelijk de KOR aan te vragen voor EU-landen waarmee u zakendoet. U bepaalt zelf voor welke EU-lidstaten u de KOR aanvraagt. U hoeft in deze landen dan geen btw-aangiften te doen. Let op.  Wel moet u ieder kwartaal de Nederlandse Belastingdienst een overzicht (opgaaf) verstrekken van de omzet die u in het voorgaande kwartaal in de EU heeft behaald.

Voorwaarden

Indien u als Nederlandse ondernemer gebruik wilt maken van de EU-KOR, dan is het vereist dat uw hoofdvestiging in Nederland ligt. De totale jaaromzet mag maximaal € 100.000 bedragen, opgeteld voor alle EU-landen, inclusief Nederland. U mag ook de nationale omzetgrens voor de EU-KOR in het EU-land waar u gebruikmaakt van de EU-KOR, niet overschrijden. Elk EU-land bepaalt zijn eigen nationale omzetgrens voor deelname aan de EU-KOR ( https://www.vatcalc.com/eu/2023-eu-vat-registration-intrastat-thresholds ). Als u de nationale omzetgrens overschrijdt, verschilt het per land hoe hiermee wordt omgegaan. In sommige landen eindigt uw deelname aan de EU-KOR direct.

Gevolgen toepassen EU-KOR

Alleen EU-KOR

Kiest u ervoor om in Nederland geen gebruik te maken van de KOR, maar past u de regeling wel toe in andere EU-lidstaten voor daar verrichte prestaties, dan kunt u de inkoop-btw die gerelateerd is aan de belaste handelingen in Nederland wel aftrekken. Voor inkoop-btw die te maken heeft met vrijgestelde handelingen buiten Nederland, heeft u geen aftrekrecht.

Alleen KOR in Nederland

Omgekeerd geldt: als u de KOR in Nederland toepast, maar de algemene btw-regels in andere EU-lidstaten volgt, heeft u geen recht op aftrek van inkoop-btw in Nederland. Zelfs niet voor de inkoop-btw die verband houdt met belaste handelingen in het buitenland.

Voorbeeld. Als u deelneemt aan de EU-KOR in bijv. Frankrijk, België en Italië, dan krijgt u een btw-vrijstelling in deze drie landen. Maar u kunt er ook voor kiezen om alleen in bijv. België aan de EU-KOR mee te doen. Dan krijgt u alleen in België een btw-vrijstelling.

Belangrijke administratieve stappen:

  • U moet de Nederlandse Belastingdienst informeren over het voornemen om gebruik te maken van de EU-KOR in een andere EU-lidstaat.
  • U moet in Nederland geregistreerd staan met een individueel nummer, aangevuld met het achtervoegsel EX.
  • Eén maand na elk kwartaal geeft u zowel de Nederlandse als de EU-omzet aan de Belastingdienst door.

Andere aandachtspunten:

  • U kunt gebruik gaan maken van de EU-KOR vanaf de datum waarop het individuele nummer aan u is medegedeeld door de vestigingslidstaat. Dit betekent dat als u zich op 1 januari 2025 heeft aangemeld voor de EU-KOR, u deze mogelijk pas in de derde week van februari 2025 kunt gaan toepassen, uitgaande van een maximale verwerkingstermijn van 35 werkdagen.
  • U kunt te maken krijgen met administratieve verplichtingen in andere EU-lidstaten, zoals facturering en boekhouding. Dit komt doordat elke EU-lidstaat zelf beslist of de ondernemer die gebruikmaakt van de EU-KOR is vrijgesteld van deze verplichtingen.
  • Bij gebruikmaking van de EU-KOR is een btw-registratie in de andere EU-lidstaat niet verplicht, maar deze kan wel verplicht worden gesteld als u niet aan de rapportageverplichtingen voldoet. EU-lidstaten kunnen sancties invoeren voor het niet-voldoen aan de rapportageverplichtingen. Een btw-registratie in Nederland is uiteraard wel verplicht.
  • Een ondernemer die grensoverschrijdende EU-KOR toepast, kan gebruik (blijven) maken van de One Stop Shop (OSS) voor zijn omzet behaald met b2c-diensten en afstandsverkopen in EU-lidstaten waar hij geen gebruikmaakt of kan maken van de EU-KOR, bijv. voor omzet behaald in een bepaalde EU-lidstaat boven de aldaar genoemde omzetdrempel. De omzet die onder de OSS wordt aangegeven, valt ook onder de rapportageverplichtingen van de KOR.
  • De Invoerregeling/IOSS en de EU-KOR kunnen niet naast elkaar worden toegepast. De ondernemer die de EU-KOR toepast (of zijn afnemer, afhankelijk op wiens naam de goederen worden ingevoerd) is dus wel btw verschuldigd over de invoer van de desbetreffende goederenzendingen.

Als de Europese jaaromzet de drempel van € 100.000 overschrijdt, moet u de Belastingdienst binnen 15 werkdagen inlichten.

Door toepassing van de EU-KOR kunt u een btw-vrijstelling krijgen in een of meer EU-landen waarin u zakendoet. U moet wel ieder kwartaal de Belastingdienst een overzicht verstrekken van de omzet die u in de EU heeft behaald. Houd de nationale omzetgrens van het EU-land en de algemene omzetgrens van de EU-KOR (€ 100.000) goed in de gaten.

Box 3 heffing werkelijk rendement

» Wist je dat wij op zoek zijn naar een nieuwe collega (assistent) accountant? Lees snel verder!

De Raad van State (RvS) adviseerde het kabinet in december 2024 om het plan voor box 3-heffing over het werkelijke rendement niet in de huidige vorm in te dienen bij de Tweede Kamer.

Het plan, dat in 2028 in zou moeten gaan, is te complex.

In een brief aan de Tweede Kamer laat staatssecretaris Tjebbe van Oostenbruggen (Fiscaliteit) weten dat het kabinet de voorgestelde ‘Wet werkelijk rendement box 3’ toch als beste optie ziet en doorgaat op de ingeslagen weg.

In de brief wordt ingegaan op een deel van de door de RvS genoemde alternatieven. Maar die zijn volgens de staatssecretaris niet beter. Vreemd genoeg wordt in de brief niet ingegaan op het door de RvS genoemde alternatief van een forfaitaire heffing gebaseerd op laagrisico rendementen zonder tegenbewijs.

Eigenlijk het ‘oude’ box 3 stelsel met een lager forfait. Dit is  een gemiste kans. In februari staat er een debat van de Tweede Kamer gepland over de plannen voor box 3. Wordt vervolgd dus…

Wij vinden het onbegrijpelijk dat het kabinet zich niets aantrekt van de zware kritiek van de RvS en ook niet van de bezwaren vanuit de rechtspraak en diverse beroepsorganisaties. Of is het een kwestie van de kop in het zand steken? Als het kabinet blijft vasthouden aan dit wetsvoorstel wordt box 3 er niet eenvoudiger op. En we krijgen ongetwijfeld meer gedoe, meer discussies en ook weer meer rechtszaken. Wie zit daar nou op te wachten? De belastingbetaler niet en ook de Belastingdienst niet.